bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Genesis 46
Genesis 46
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 45
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 47 →
1
Israël ging op weg met al zijn bezittingen en kwam bij Berseba. Daar bracht hij vleesoffers aan de God van zijn vader Izaäk.
2
En God sprak 's nachts tegen Israël in een visioen. Hij zei: "Jakob! Jakob!" Hij antwoordde: "Ik luister."
3
En God zei tegen hem: "Ik ben God, de God van je vader. Wees niet bang om naar Egypte te gaan, want Ik zal je daar tot een groot volk maken.
4
Ik zal Zelf met je meegaan naar Egypte en Ik zal je ook weer terugbrengen. En wanneer je sterft, zal Jozef je de ogen toedrukken."
5
Toen vertrok Jakob uit Berseba. Israëls zonen vervoerden hun vader Jakob, hun kinderen en hun vrouwen op de wagens die de farao gestuurd had voor hun vervoer.
6
Al hun vee en al hun bezittingen, alles wat ze in Kanaän verkregen hadden, namen ze mee naar Egypte. Zo kwam Jakob met al zijn nakomelingen in Egypte aan:
7
zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, zijn hele familie bracht hij mee naar Egypte.
8
Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen, Jakob en zijn afstammelingen. Jakobs eerstgeborene was Ruben.
9
De zonen van Ruben: Henoch, Pallu, Hezron en Karmi.
10
De zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul. Saul was de zoon van een Kanaänitische vrouw.
11
De zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari.
12
De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Perez en Zera. Maar Er en Onan waren in Kanaän al gestorven. De zonen van Perez: Hezron en Hamul.
13
De zonen van Issaschar: Tola, Pua, Job en Simron.
14
De zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jahleël.
15
Dit zijn de zonen die Lea Jakob in Paddan-Aram had geschonken. Verder zijn dochter Dina. In totaal 33 nakomelingen, mannen en vrouwen.
16
De zonen van Gad: Zifjon, Haggi, Suni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli.
17
De zonen van Aser: Jimna, Jisva, Jisvi en Beria, en hun zus Sera. De zonen van Beria: Heber en Malkiël.
18
Dit zijn de zonen van Zilpa, de slavin die Laban aan zijn dochter Lea had meegegeven. Zij schonk Jakob 16 nakomelingen.
19
De zonen van Rachel, de vrouw van Jakob: Jozef en Benjamin.
20
Jozef kreeg twee zonen in Egypte: Manasse en Efraïm, hem geschonken door zijn vrouw Asnat, de dochter van Potifera, de hogepriester van On.
21
De zonen van Benjamin: Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Ehi, Ros, Muppim, Huppim en Ard.
22
Dit zijn de zonen die Rachel Jakob schonk. In totaal schonk zij hem 14 nakomelingen.
23
De zoon van Dan: Husim.
24
De zonen van Naftali: Jahzeël, Guni, Jezer en Sillem.
25
Dit zijn de zonen van Bilha, de slavin die Laban aan zijn dochter Rachel had meegegeven. In totaal schonk ze Jakob zeven nakomelingen.
26
De gehele familie die van Jakob afstamde en met hem meekwam naar Egypte bestond uit 66 personen, hun vrouwen niet meegerekend.
27
Jozef had in Egypte twee zonen gekregen. Zo bestond de familie van Jakob in Egypte in totaal uit 70 personen.
28
Jakob stuurde Juda vooruit naar Jozef, om van hem aanwijzingen te vragen over de weg naar Gosen. Zo bereikten ze de streek Gosen.
29
Jozef ging zijn vader Israël met paard en wagen tegemoet naar Gosen. Toen hij bij hem kwam, viel hij hem om de hals en huilend omhelsde hij hem langdurig.
30
Toen zei Israël tegen Jozef: "Nu kan ik rustig sterven, nu ik je levend en wel heb teruggezien."
31
Jozef zei tegen zijn broers en zijn hele familie: "Ik zal nu naar de farao gaan om hem te zeggen: 'Mijn broers en de hele familie van mijn vader die in Kanaän woonden, zijn bij mij aangekomen.
32
Die mannen zijn schaapherders en veehouders. Ze hebben hun schapen, geiten en runderen en al hun bezittingen meegebracht.'
33
Als de farao jullie bij zich laat komen en vraagt wat jullie beroep is,
34
moeten jullie hem antwoorden: 'Wij zijn van jongs af aan veehouders geweest, net als onze voorvaders.' Dan zullen jullie hier in Gosen mogen blijven wonen, want Egyptenaren verafschuwen schaapherders."
← Chapter 45
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 47 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50