bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Job 20
Job 20
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 19
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 21 →
1
Toen antwoordde Zofar uit Naäma:
2
Mijn gedachten dwingen mij te antwoorden, ik kan me niet langer inhouden.
3
Want ik hoor verwijten waarmee je mij zwaar beledigt, maar je krijgt een verstandig antwoord van mij.
4
Je weet toch hoe het van oudsher is gegaan, sinds de mens op de wereld werd geplaatst:
5
de triomf van de goddeloze duurt maar even, de vreugde van wie kwaad doet, is van korte duur.
6
Al zou zijn roem tot in de hemel reiken, en al zou hij de wolken raken met zijn hoofd,
7
toch zal hij, net als zijn uitwerpselen, voorgoed vergaan. Wie hem gezien hebben, zullen zeggen: "Waar is hij?"
8
Hij vervliegt als een droom, verdwijnt spoorloos; hij wordt verdreven als een droom in de nacht.
9
De ogen die hem zagen, zien hem nooit terug, zijn plaats zal hem nooit meer zien.
10
Zijn zonen moeten de gunst van de armen zoeken, eigenhandig moet hij zijn weelde weer afstaan.
11
Al zaten zijn botten vol levenskracht, ze zullen met hem in het stof afdalen.
12
Het kwaad smaakt hem goed, het is zoet in zijn mond. Hij verbergt het onder zijn tong,
13
bewaart het zuinig, slikt het niet in, maar zuigt er lang op.
14
Maar eenmaal in zijn buik verandert dat, in zijn binnenste wordt het addervergif.
15
De opgeslokte rijkdommen braakt hij weer uit, God perst ze uit zijn maag omhoog.
16
Wat hij opzuigt blijkt addervergif, de tong van de slang zal hem doden.
17
Hij geniet niet meer van de stromen, rivieren en beken van honing en boter.
18
Wat hij met zijn arbeid verwierf, spuugt hij weer uit, hij kan niet inslikken wat zij hem opbracht, zijn handel schenkt hem geen vreugde.
19
De armen heeft hij uitgebuit en aan hun lot overgelaten; hij roofde een huis – hij bouwde het niet zelf;
20
nooit kende zijn binnenste tevredenheid; daarom zal hij niets van zijn kostbaarheden behouden.
21
Omdat hij alles verslonden heeft wat er te verslinden is, zal zijn voorspoed niet standhouden.
22
Te midden van zijn overvloed komt hij in het nauw, hij wordt bedreigd door allerlei ellende.
23
Terwijl hij zijn buik aan het volproppen is, stort God zijn vlammende toorn over hem uit.
24
Mocht hij ontkomen aan het zwaard, dan wordt hij door een ijzeren boog doorschoten.
25
De pijl gaat dwars door hem heen, hij trekt hem eruit, glinsterend van de gal komt hij tevoorschijn. Hij wordt door doodsangst overvallen.
26
Duisternis loert van alle kanten op hem, een vuur – niet aangewakkerd door mensen – verteert hem. Iedereen in zijn woning zal het slecht vergaan.
27
De hemel zal zijn zonde aan het licht brengen, de aarde zal tegen hem getuigen.
28
Zijn bezittingen worden uit zijn huis weggehaald, ze worden weggesleept op de dag van Gods toorn.
29
Dat is wat de goddeloze krijgt toebedeeld door God, dat is de erfenis die God voor hem heeft bestemd.
← Chapter 19
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 21 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42