bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
/
Job 13
Job 13
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 14 →
1
Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
2
Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
3
Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
4
Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.
5
Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
6
Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
7
Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
8
Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
9
Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
10
Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.
11
Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
12
Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.
13
Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
14
Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
15
Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
16
Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.
17
Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
18
Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
19
Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
20
Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.
21
Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
22
Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
23
Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.
24
Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
25
Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?
26
Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.
27
Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
28
En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 14 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42