bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
/
Job 38
Job 38
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
← Chapter 37
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 39 →
1
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
2
Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
3
Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
4
Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
5
Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
6
Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?
7
Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
8
Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
9
Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
10
Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
11
En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
12
Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;
13
Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
14
Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
15
En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
16
Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
17
Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?
18
Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
19
Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
20
Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
21
Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
22
Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?
23
Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!
24
Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
25
Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
26
Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
27
Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
28
Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?
29
Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?
30
Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
31
Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?
32
Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?
33
Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
34
Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
35
Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
36
Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
37
Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
38
Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
← Chapter 37
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 39 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42