bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
/
Job 41
Job 41
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
← Chapter 40
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 42 →
1
Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
2
Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
3
Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
4
Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
5
Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
6
Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
7
Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
8
Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
9
Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
10
Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
11
Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.
12
Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
13
In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
14
De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
15
Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
16
Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
17
Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
18
Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
19
De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
20
De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
21
Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
22
Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
23
Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
24
Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
25
Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
← Chapter 40
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 42 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42