bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
/
Job 22
Job 22
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
← Chapter 21
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 23 →
1
Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2
Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn.
3
Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
4
Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
5
Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
6
Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.
7
Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.
8
Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
9
De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
10
Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
11
Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
12
Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
13
Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
14
De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
15
Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
16
Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
17
Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan?
18
Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
19
De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
20
Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
21
Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
22
Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
23
Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
24
Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;
25
Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;
26
Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
27
Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
28
Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen.
29
Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
30
Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.
← Chapter 21
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 23 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42