bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
/
Job 13
Job 13
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 14 →
1
Zie, dit alles heb ik met eigen ogen aanschouwd, Mijn oor heeft het gehoord en verstaan.
2
Wat gij weet, weet ik even goed: Ik doe niet onder voor u.
3
Daarom wil ik tot den Almachtige spreken, Mijn zaak bepleiten voor God!
4
Want gij zijt leugensmeden, En kwakzalvers allemaal!
5
Als gij er nu maar het zwijgen toe deedt, Rekende men het u als wijsheid aan.
6
Luistert dus liever naar mijn pleit, En geeft acht op het pleidooi mijner lippen.
7
Moogt gij leugens spreken, om God te believen, Ter wille van Hem onwaarheid zeggen;
8
Moogt gij partijdig voor Hem zijn, Wanneer gij voor God denkt te pleiten?
9
Loopt dit goed voor u af, wanneer Hij u in verhoor neemt; Of denkt gij Hem te bedriegen, zoals men mensen bedriegt?
10
Ten zwaarste zal Hij u straffen, Zo gij partijdig zijt in het geniep.
11
Zal zijn Majesteit u dan niet ontstellen, Zijn verschrikkingen u niet overvallen?
12
Want uw uitspraken zijn spreuken van as, Uw betogen, betogen van leem!
13
Zwijgt derhalve, en laat mij spreken; Laat er van komen wat wil!
14
Ik pak mijn vlees tussen mijn tanden, En neem mijn leven in mijn hand.
15
Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem!
16
Dit zal reeds een triomf voor mij zijn; Want de boze durft niet eens voor zijn aanschijn treden!
17
Luistert dus goed naar mijn woord, Leent het oor aan mijn rede.
18
Zie, ik heb mijn pleit gereed, Ik ben mij bewust van mijn recht!
19
Wie brengt er iets tegen mij in? Ik zou aanstonds zwijgen en sterven.
20
Twee dingen moet Gij mij echter besparen, Dan verschuil ik mij niet voor uw aanschijn:
21
Neem uw hand van mij weg, En verbijster mij niet door uw verschrikking.
22
Daag mij dus uit, en ik zal antwoorden; Of laat mij spreken, en antwoord Gij:
23
Hoeveel fouten en zonden heb ik bedreven, Noem mij mijn misdaden en zonden op!
24
Waarom verbergt Gij uw aanschijn, En beschouwt Gij mij als uw vijand?
25
Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen:
26
Dat Gij zo’n bitter lot mij bestemt, En de fouten wreekt van mijn jeugd;
27
Mijn voeten steekt in een blok, al mijn gangen bewaakt, En mijn voetzolen bespiedt?
28
“Hij vergaat als hout, dat vermolmd is; als een kleed, dat door de mot is verteerd.” Vrij algemeen meent men, dat ook dit vers van zijn plaats is geraakt, of een latere toevoeging is.
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 14 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42