bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
/
Job 18
Job 18
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
← Chapter 17
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 19 →
1
Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
2
Wanneer maakt gij eindelijk eens een eind aan uw praten, Wordt gij verstandig, en laat ons aan het woord;
3
Waarom worden wij als vee beschouwd, En zijn wij zo dom in uw ogen?
4
Gij, die in uw woede uzelf verscheurt: Zou om uwentwil de aarde worden ontvolkt, Een rots van haar plaats verwijderd, Een berg van zijn grondslag gerukt?
5
Waarachtig, het licht van den boze dooft uit, De vlam van zijn vuur blijft niet schijnen;
6
Het licht wordt donker in zijn tent, De lamp gaat boven hem uit.
7
Zijn krachtige tred wordt verlamd, Zijn eigen beleid doet hem struikelen;
8
Want door zijn eigen voeten wordt hij in het net gedreven, En wandelt hij over de mazen.
9
Een klem grijpt zijn hiel, een net houdt hem vast.
10
Zijn strik ligt in de grond verborgen, een val op zijn pad;
11
Verschrikkingen beangstigen hem van alle kant, En vervolgen hem, stap voor stap.
12
Het onheil hongert naar hem, De rampspoed staat aan zijn zijde gereed;
13
Zijn huid wordt door ziekte verteerd, De eersteling van de dood slokt zijn leden op.
14
Hij wordt uit zijn tent gerukt, waar hij zich veilig waande, En zij sleept hem naar den vorst der verschrikking
15
Zij woont in zijn tent, die hem niet langer behoort, En over zijn woning wordt zwavel gestrooid.
16
Van onderen verdorren zijn wortels, Van boven verwelken zijn twijgen;
17
Zijn gedachtenis verdwijnt uit het land, Zelfs in de steppe heeft hij geen naam.
18
Men stoot hem uit het licht de duisternis in, Men jaagt hem uit de wereld weg;
19
Hij heeft onder zijn volk geen kroost, geen geslacht, In zijn woonplaats geen, die hem rest.
20
Over zijn lot staat het Westen ontsteld, En het Oosten siddert er van:
21
Waarachtig, zo gaat het met het verblijf van den boze, Met de woonplaats van hem, die God miskent!
← Chapter 17
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 19 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42