bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
/
Job 40
Job 40
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
← Chapter 39
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 41 →
1
Maar Jahweh vervolgde, en sprak tot Job in de storm
2
Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
3
Wilt ge ook nu nog mijn gerechtigheid loochenen, Mij in het ongelijk stellen, om gelijk te hebben?
4
Hebt ge dan een arm, zoals God, Kunt ge donderen met een stem als de zijne?
5
Tooi u dan eens met grootheid en luister, Bekleed u met glorie en majesteit!
6
Stort eens uw toorn in stromen uit, En verneder, wat trots is, met uw blik;
7
Zie op alle hoogmoedigen neer, en trap ze ineen, Verpletter de bozen terstond;
8
Stop ze allen weg in de grond, Zet ze gevangen in het verborgen oord:
9
Dan zal Ik de eerste zijn, die u prijst, Omdat het uw rechterhand is, die u helpt!
10
Maar zie, daar staat het Nijlpaard, dat Ik heb geschapen, Het vreet gras als een rund.
11
Zie eens, wat kracht in zijn lenden, Wat sterkte in de spieren van zijn buik!
12
Hij spant zijn staart als een ceder, De spieren van zijn dijen tot een bundel;
13
Zijn schonken zijn koperen buizen, Zijn knoken als ijzeren staven.
14
Hij is het meesterwerk van God Gemaakt, om over zijn buurtschap te heersen!
15
Ja, de bergen brengen hem schatting, Met al het wild, dat daar speelt;
16
Onder de lotus vleit hij zich neer, Verscholen in riet en moeras;
17
Lotusstruiken beschutten hem met hun schaduw, De waterwilgen staan om hem heen;
18
Al raast de stroom, hij is niet bang, Onverschrokken, al stijgt de Jordaan tot zijn muil.
19
Wie durft hem bij zijn ogen grijpen, Zijn neus met harpoenen doorboren!
20
Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
21
Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
22
Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
23
Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
24
Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
25
Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
26
Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
27
Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
28
Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
← Chapter 39
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 41 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42