bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
/
Job 41
Job 41
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
← Chapter 40
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 42 →
1
Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
2
Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
3
Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
4
Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
5
Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
6
Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
7
Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
8
Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
9
Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
10
Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
11
Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
12
Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
13
In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
14
Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
15
Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
16
Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
17
Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
18
Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
19
Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
20
Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
21
Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
22
Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
23
Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
24
Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
25
Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!
← Chapter 40
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 42 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42