bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Job 19
Job 19
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 18
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 20 →
1
Job gaf Bildad het volgende antwoord:
2
"Hoe lang blijven jullie mij nog tergen en proberen mij met woorden te verpletteren?
3
Jullie hebben nu al tienmaal verteld dat ik een zondaar ben! Schamen jullie je niet mij elke keer zo aan te vallen?
4
Trouwens, als ik inderdaad verkeerd was, is dat in de eerste plaats mijn zorg.
5
Als jullie zo'n hoge dunk van jezelf hebben en mij erop wijzen dat ik schuldig ben,
6
weet dan wel dat God mij heeft overweldigd en in Zijn net heeft gevangen.
7
Ik roep wel om hulp, maar Hij hoort mij niet. Ik schreeuw, maar een rechtvaardige behandeling krijg ik niet.
8
God heeft mij de weg versperd en mijn licht veranderd in duisternis.
9
Hij heeft mij van mijn eer beroofd en mij mijn kroon afgenomen.
10
Van alle kanten heeft Hij mij afgebroken en nu is het met mij gedaan. Al mijn verwachtingen heeft Hij de bodem ingeslagen.
11
Zijn brandende toorn is tegen mij gericht en Hij beschouwt mij als een vijand.
12
Hij stuurt Zijn troepen om mijn tent te omsingelen en te belegeren.
13
Mijn broers en mijn vrienden heeft Hij weggestuurd en zij zijn van mij vervreemd.
14
Mijn familieleden zijn weggebleven en mijn vrienden hebben mij in de steek gelaten.
15
Mijn gasten, ook mijn dienaren, behandelen mij als een vreemdeling.
16
Ik roep mijn dienaar, maar hij komt niet; zelfs niet als ik hem smeek te komen.
17
Mijn eigen vrouw heeft een afkeer van mijn adem en mijn broers vinden dat ik stink.
18
Zelfs jonge kinderen hebben een afkeer van mij. Als ik ga staan om iets te zeggen, lachen zij mij uit!
19
Mijn beste vrienden mijden mij. De mensen van wie ik hield, keren zich tegen mij.
20
Ik ben vel over been en heb alleen mijn tandvlees overgehouden.
21
Och mijn vrienden, heb toch medelijden met mij, want de hand van God heeft mij hard geslagen.
22
Waarom achtervolgen jullie mij net zoals God doet? Krijgen jullie er nooit genoeg van mij te beledigen?
23
Och, ik zou willen dat mijn woorden met een ijzeren stift in lood gegrift, ja in de rots werden gehouwen, zodat zij daar voor altijd zouden staan.
25
Want ik weet dat mijn Verlosser leeft en dat Hij tenslotte met Zijn voeten op de aarde zal staan.
26
En nadat mijn huid van mij is afgevallen en mijn lichaam zal zijn vergaan, zal ik buiten het lichaam toch God mogen zien.
27
Ja, ik zal Hem zelf zien, niet iemand anders; met mijn eigen ogen. O, wat verlangt mijn hart daarnaar!
28
Hoe durven jullie mij te blijven beschuldigen, alsof ik al schuldig ben bevonden?
29
Ik waarschuw jullie dat jullie gevaar lopen te worden gestraft voor wat jullie nu doen!"
← Chapter 18
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 20 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42