bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Job 27
Job 27
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 28 →
1
En Job vervolgde:
2
"Ik zweer bij de levende God. Hij ontnam mij mijn rechten. Ja, ik zweer bij de Almachtige God (Hij heeft mijn ziel zoveel verdriet aangedaan)
3
dat zolang ik leef door de adem van God,
4
mijn lippen geen goddeloze dingen zullen zeggen en mijn tong niet zal liegen.
5
Ik zal mij nooit, maar dan ook nooit, neerleggen bij jullie mening; tot mijn dood zal ik aan mijn onschuld blijven vasthouden.
6
Ik ben geen zondaar en zal mijn rechtvaardigheid handhaven. Mijn geweten zal mij niet aanklagen zolang ik leef.
7
Degenen die iets anders zeggen, zijn mijn goddeloze vijanden. Dat zijn slechte mannen.
8
Want welke hoop heeft de goddeloze als God hem afsnijdt en hem zijn leven afneemt?
9
Zal God naar zijn hulpgeroep luisteren als hij in moeilijkheden komt?
10
En zal hij blij zijn met de Almachtige en Hem altijd aanroepen?
11
Ik zal jullie iets leren over Gods doen en laten met de mens.
12
Eigenlijk hoef ik dat helemaal niet te doen, want jullie weten net zoveel over Hem als ik; toch doen jullie allemaal van die onzinnige uitspraken.
13
Dit is het lot dat de Almachtige heeft klaarliggen voor de goddeloze:
14
als hij veel kinderen heeft, zullen die in de strijd sneuvelen en zijn nageslacht zal honger lijden.
15
Degenen die dat overleven, zullen sterven door de pest en niemand, ook niet hun eigen vrouw, zal om hen rouwen.
16
Ook al verdient een slechte man geld als water en heeft hij zoveel kleren dat hij elke dag iets anders kan dragen,
17
de goede en onschuldige mensen zullen die kleren dragen en zijn geld onder elkaar verdelen.
18
Elk huis dat door een goddeloze is gebouwd, is breekbaar als dat van een mot en zo lek als een hutje dat zo maar even wordt gebouwd.
19
Hij gaat als een rijke naar bed, maar wordt wakker en merkt dat al zijn rijkdom is verdwenen.
20
De angst overvalt hem en de nachtelijke stormen voeren hem weg.
21
De oostenwind neemt hem op en voert hem weg en hij is er niet meer. Zo wordt hij van zijn plaats weggevaagd.
22
Want God zal hem er genadeloos van langs geven. Hij zal snel van God willen wegvluchten.
23
Onder handgeklap en gefluit zal hij zijn huis ontvluchten."
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 28 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42