bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Job 20
Job 20
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 19
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 21 →
1
De Naämathiet Zofar zei:
2
"Ik zal snel reageren, want ik ben geschokt.
3
Je beledigt mij met je verwijt en mijn verstand zegt me dat ik daarop moet antwoorden.
4
Je weet toch dat sinds de mens voor het eerst op aarde verscheen, de blijdschap en de vreugde van de goddelozen een kort leven zijn beschoren?
6
Ook al reikt de trots van de goddeloze zo hoog als de hemelen en loopt hij met zijn neus in de lucht,
7
toch zal hij voor eeuwig omkomen en worden weggeworpen zoals zijn uitwerpselen. Zij die hem kenden, zullen zich afvragen waar hij is gebleven.
8
Als een droom zal hij vervagen, als een visioen plotseling verdwijnen.
9
Niemand zal hem ooit terugzien. In zijn woonplaats zullen ze hem zelfs niet eens missen.
10
Zijn kinderen moeten bedelen bij de armen en zijn eigen handen moeten zijn rijkdom teruggeven.
11
De jeugdige levenskracht in zijn botten verdwijnt samen met hem in het stof.
12
Hij geniet van zijn goddeloosheid, die hij langzaam in zijn mond laat smelten,
13
er zacht op zuigend, bang dat de smaak zal verdwijnen.
14
Maar het voedsel dat hij heeft gegeten, wordt bitter als gal in zijn ingewanden.
15
Hij zal de rijkdom die hij opslokte, weer moeten uitbraken. God laat niet toe dat hij het binnenhoudt.
16
Het is een levensgevaarlijk vergif voor hem geworden.
17
Hij zal geen plezier hebben van de dingen die hij heeft gestolen en niet genieten van de stromen olie, honing en room.
18
Zijn inspanningen zullen niet worden beloond; aan de winst van zijn handel zal hij geen plezier beleven.
19
Want hij heeft de armen onderdrukt en hun huizen in beslag genomen, waarop hij geen recht had.
20
Omdat hij van binnen geen rust kent, helpen al zijn schatten hem uiteindelijk niets.
21
Maar als er niets meer is om te stelen, komt een einde aan zijn welvaart.
22
Temidden van zijn overvloed zal hij in moeilijkheden raken en zal het toppunt van ellende hem in het verderf storten.
23
Op het moment dat zijn buik vol is, zal Gods toorn op hem neerregenen.
24
Hij zal wegvluchten, maar een pijl zal zijn rug doorboren.
25
De pijl wordt uit zijn lichaam getrokken en de scherpe punt komt uit zijn gal. De angsten van de dood zijn over hem gekomen.
26
Zijn schatten zullen verloren gaan in de diepste duisternis. Een laaiend vuur zal zowel hem als zijn goederen verslinden en alles verteren wat hij nog over had.
27
De hemelen zullen zijn zonden openbaar maken en de aarde zal tegen hem getuigen.
28
Zijn rijkdom zal op de dag van Gods toorn in een vloedgolf wegspoelen.
29
Dat is Gods bestemming voor de goddeloze; de erfenis die God hem geeft."
← Chapter 19
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 21 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42