bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Numbers 13
Numbers 13
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 14 →
1
Terwijl de Israëlieten in de Paran-woestijn verbleven, zei de HERE tegen Mozes:
2
"Zend spionnen naar het land Kanaän, het land dat Ik aan Israël ga geven; stuur van elke stam één leider."
3
Mozes voerde de opdracht van de HERE uit en stuurde deze twaalf stammenleiders:
4
Sammua, de zoon van Zakkur, uit de stam Ruben;
5
Safat, de zoon van Hori, uit de stam Simeon;
6
Kaleb, de zoon van Jefunne, uit de stam Juda;
7
Jigeal, de zoon van Jozef, uit de stam Issaschar;
8
Hosea (A), de zoon van Nun, uit de stam Efraïm;
9
Palti, de zoon van Rafu, uit de stam Benjamin;
10
Gaddiël, de zoon van Sodi, uit de stam Zebulon;
11
Gaddi, de zoon van Susi, uit de stam Manasse;
12
Ammiël, de zoon van Gemalli, uit de stam Dan;
13
Sethur, de zoon van Michaël, uit de stam Aser;
14
Nahbi, de zoon van Wofsi, uit de stam Naftali;
15
Guël, de zoon van Machi, uit de stam Gad.
16
En Mozes veranderde de naam van Hosea, de zoon van Nun, in Jozua. (B)
17
Mozes stuurde de spionnen weg met de opdracht: "Ga in noordelijke richting en trek het bergland van de Negeb in.
18
Kijk hoe het land eruit ziet en wat voor mensen daar leven; of het er veel of weinig zijn en of ze sterk of zwak zijn.
19
Let ook goed op of het land vruchtbaar is of niet; of er steden zijn en of die versterkt zijn of niet.
20
Stel vast of het land rijk of arm is en of er veel bomen zijn. Wees niet bang en breng wat exemplaren van hun oogst mee terug." (In die tijd werden de eerste druiven geoogst).
21
Zo vertrokken de spionnen en verkenden het land van de woestijn Zin tot aan Rehob, waar de weg naar Hamath begint.
22
Terwijl zij in noordelijke richting trokken, doorkruisten zij eerst de Negeb en kwamen in Hebron aan. Daar woonden Ahiman, Sesai en Talmai, de kinderen van Enak. Hebron was een erg oude stad, want hij werd zeven jaar eerder gesticht dan de stad Zoan in Egypte. (C)
23
Daarna kwamen zij in het dal Eskol, waar zij een tros druiven van een wijnrank sneden. Deze tros was zo groot dat twee mannen hem aan een stok tussen zich in moesten dragen! Ook namen zij een aantal granaatappelen en vijgen mee.
24
De Israëlieten noemden dat dal vanaf die tijd Eskol (Tros), vanwege de tros druiven die zij vandaar hadden meegenomen.
25
Na veertig dagen keerden de spionnen van hun tocht terug.
26
Zij rapporteerden hun bevindingen aan Mozes, Aäron en het hele volk Israël in de Paran-woestijn bij Kades en lieten het fruit zien dat zij hadden meegenomen.
27
Dit was hun verslag: "Wij kwamen in het land dat wij moesten verkennen. Het is inderdaad een land waar melk en honing vloeit, het is prachtig. Kijk maar eens naar dit fruit dat wij als bewijs hebben meegenomen.
28
Maar de mensen die daar wonen, zijn sterk en hun steden zijn goed versterkt en groot. We hebben zelfs reuzen, kinderen van Enak, gezien!
29
De Amalekieten wonen in het zuiden en de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland. Langs de kust van de Middellandse Zee en in het rivierdal van de Jordaan wonen de Kanaänieten."
30
Toen kwam het volk in opstand tegen Mozes. Maar Kaleb trachtte het te kalmeren en zei: "Laten wij nu meteen optrekken en het land in bezit nemen, want wij zijn sterk genoeg om het te veroveren!"
31
"Niet tegen mensen die zo sterk zijn als zij", vonden de andere spionnen, "ze zouden ons vernietigen."
32
Het verslag van de meerderheid van de spionnen was negatief: "Het land wemelt van de strijders en de mensen zijn allemaal krachtig gebouwd.
33
We hebben kinderen van Enak gezien, afstammelingen van de vroegere reuzen. We voelden ons als sprinkhanen bij hen vergeleken!"
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 14 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36