bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Numbers 27
Numbers 27
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 28 →
1
Op een dag kwamen de dochters van Zelafead bij de ingang van de tabernakel met een verzoek aan Mozes, de priester Eleazar, de stamleiders en de anderen die daar bijeen waren. Deze vrouwen hoorden bij de stam van Manasse, de zoon van Jozef. Hun voorvader was Machir, de zoon van Manasse. Machirs zoon Gilead was hun overgrootvader, diens zoon Hefer was hun grootvader en diens zoon Zelafead hun vader. De namen van de vrouwen waren Mahla, Noa, Hogla, Milka en Tirza.
3
"Onze vader stierf in de woestijn", zeiden zij, "maar hij hoorde niet bij de mannen die werden gedood wegens Korachs rebellie tegen de HERE; hij stierf een natuurlijke dood, maar had geen zonen. Zou de naam van onze vader moeten verdwijnen, omdat hij geen zonen had? Wij vinden dat wij net zoveel recht op grond hebben als de broers van onze vader."
5
Mozes ging met deze vraag naar de HERE.
6
En de HERE gaf Mozes als antwoord: "De dochters van Zelafead hebben gelijk; geef hun land, net zoals hun ooms hebben gekregen. Geef hun het land dat hun vader zou hebben gekregen als hij nog in leven was.
8
En zeg tegen het volk dat als iemand sterft zonder zonen te hebben, zijn erfenis overgaat op zijn dochters.
9
Als hij geen dochter heeft, dan zullen zijn broers van hem erven.
10
En als hij ook geen broer heeft, dan zal zijn bezit naar zijn ooms gaan.
11
Maar als hij geen ooms heeft, dan zal zijn naaste bloedverwant van hem erven."
12
Op een dag zei de HERE tegen Mozes: "Beklim de berg Abarim en kijk over de rivier naar het land dat Ik het volk Israël heb gegeven.
13
Nadat u het land hebt gezien, zult u net als uw broer Aäron sterven,
14
want u hebt mijn bevelen in de wind geslagen in de woestijn Zin. Toen de Israëlieten opstandig waren, hebt u Mij in hun ogen niet geheiligd door het water te bevelen uit de rots te komen." Hiermee doelde Hij op de gebeurtenissen bij Mériba in Kades, in de woestijn Zin.
15
Toen zei Mozes tegen de HERE:
16
"Och HERE, God van de geesten van alle mensen, stelt U alstublieft een nieuwe leider aan over het volk.
17
Een man die hen in alle opzichten kan leiden, zodat Uw volk niet achterblijft als schapen zonder herder."
18
De HERE antwoordde: "Haal Jozua, de zoon van Nun. Hij is een man die de Geest in zich heeft; leg uw hand op hem
19
en breng hem bij de priester Eleazar. Geef hem in het bijzijn van het hele volk het leiderschap en de verantwoordelijkheid voor het volk.
20
Doe dat in het openbaar zodat het hele volk hem zal gehoorzamen.
21
Hij zal namens het volk aan Eleazar vragen wat de wil van de HERE is. De HERE zal door de Urim tegen Eleazar spreken en Eleazar zal de opdrachten aan Jozua doorgeven. Op die manier zal de HERE hun leiding blijven geven."
22
Mozes deed wat de HERE hem had opgedragen. Hij bracht Jozua bij de priester Eleazar, in het bijzijn van het volk.
23
Mozes legde zijn handen op hem en vertelde hem wat zijn taak als leider was.
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 28 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36