bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
/
Psalms 78
Psalms 78
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
← Chapter 77
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 67
Chapter 68
Chapter 69
Chapter 70
Chapter 71
Chapter 72
Chapter 73
Chapter 74
Chapter 75
Chapter 76
Chapter 77
Chapter 78
Chapter 79
Chapter 80
Chapter 81
Chapter 82
Chapter 83
Chapter 84
Chapter 85
Chapter 86
Chapter 87
Chapter 88
Chapter 89
Chapter 90
Chapter 91
Chapter 92
Chapter 93
Chapter 94
Chapter 95
Chapter 96
Chapter 97
Chapter 98
Chapter 99
Chapter 100
Chapter 101
Chapter 102
Chapter 103
Chapter 104
Chapter 105
Chapter 106
Chapter 107
Chapter 108
Chapter 109
Chapter 110
Chapter 111
Chapter 112
Chapter 113
Chapter 114
Chapter 115
Chapter 116
Chapter 117
Chapter 118
Chapter 119
Chapter 120
Chapter 121
Chapter 122
Chapter 123
Chapter 124
Chapter 125
Chapter 126
Chapter 127
Chapter 128
Chapter 129
Chapter 130
Chapter 131
Chapter 132
Chapter 133
Chapter 134
Chapter 135
Chapter 136
Chapter 137
Chapter 138
Chapter 139
Chapter 140
Chapter 141
Chapter 142
Chapter 143
Chapter 144
Chapter 145
Chapter 146
Chapter 147
Chapter 148
Chapter 149
Chapter 150
Chapter 79 →
1
Een lied van Asaf, om iets van te leren. Luister, mijn volk, naar wat ik jullie leer. Luister naar mijn woorden.
2
Ik wil jullie vertellen over het verleden. Ik wil jullie laten weten welke wijsheid daarin verborgen is.
3
We hebben de verhalen gehoord van onze vaders. Zij hebben ons alles verteld.
4
Nu moeten wij het ook aan onze kinderen vertellen. We moeten hun laten weten welke geweldige dingen de Heer heeft gedaan. We zullen hun vertellen over zijn kracht en zijn wonderen.
5
Hij sloot een verbond met [het volk van] Jakob. Hij gaf [het volk] Israël een wet. Onze voorvaders moesten die wet aan hun kinderen leren en hun vertellen wat God had gedaan.
6
Zo zouden ook zij zijn wet kennen en weten wat Hij heeft gedaan. En ook zij moesten het weer vertellen aan hún kinderen.
7
Zo zouden ze leren om op de Heer te vertrouwen. Zo zouden ze niet vergeten wat God had gedaan en ze zouden zich aan zijn wetten houden.
8
Zo zouden ze niet hetzelfde doen als hun voorouders, die aldoor koppig en ongehoorzaam waren. Zij waren nooit lang trouw aan God.
9
Want toen er oorlog kwam, kwam Israël niet opdagen, ook al waren ze goed bewapend.
10
Ze hielden zich niet aan Gods verbond. Ze weigerden zich aan zijn wetten te houden.
11
Ze vergaten wat Hij had gedaan, vergaten de wonderen die Hij hun had laten zien.
12
Want Hij had wonderen gedaan voor hun voorouders in Egypte.
13
Hij spleet de zee in tweeën en leidde hen er doorheen. Hij hield het water tegen zodat het als een muur bleef staan.
14
Overdag leidde Hij hen met een wolk, 's nachts met grote vuurvlam.
15
Hij spleet rotsen in de woestijn zodat er water uit stroomde en ze konden drinken.
16
Hij liet een beek ontstaan uit de rots: water stroomde als een rivier.
17
Toch werden ze Hem weer ongehoorzaam. Daar in de woestijn waren ze koppig tegen de Allerhoogste God. Ze maakten Hem boos.
18
Ze daagden Hem uit door om eten te vragen.
19
Ze zeiden: "Kan God soms eten geven in de woestijn?
20
Toen Hij op de rots sloeg, stroomde er water uit. Maar kan Hij ook zorgen voor brood en vlees voor zijn volk?"
21
Toen de Heer dat hoorde, werd Hij vreselijk boos. Hij werd woedend op [het volk van] Jakob.
22
Want ze geloofden Hem niet. Ze vertrouwden er niet op dat Hij hen wilde redden.
23
Toch gaf Hij de wolken een bevel. Hij opende de deuren van de hemel.
24
Toen regende het manna! Hij gaf hun hemels graan.
25
Zo aten ze engelenbrood. Ze konden eten zoveel als ze wilden.
26
Hij zorgde ervoor dat er een oostenwind ging waaien. Ook zorgde Hij voor een sterke zuidenwind.
27
De wind bracht vogels mee, zo ontelbaar als het zand langs de zee.
28
Het regende vogels in het kamp, rondom hun tenten.
29
Ze aten zoveel ze wilden. Hij gaf hun waar ze om hadden gevraagd.
30
Nog tijdens het eten — ze hadden het eten nog in hun mond —
31
werd God vreselijke boos op hen omdat ze zich vol zaten te schrokken. Hij doodde veel van de jonge mannen.
32
Toch bleven ze Hem ongehoorzaam. Ze vertrouwden niet op zijn wonderen.
33
Toen maakte Hij hun leven zinloos. Hun leven werd één en al ellende, jarenlang.
34
Steeds als Hij [een aantal van] hen doodde, kwam het volk weer bij Hem terug en wilden ze God weer dienen.
35
Dan wisten ze weer dat God de rots onder hun voeten was, dat Hij de Allerhoogste God was, de enige die hen kon redden.
36
Maar ze bedrogen Hem. Ze beloofden Hem dingen die ze niet meenden.
37
Ze hielden niet echt van Hem. Ze waren niet trouw aan zijn verbond.
38
Maar omdat Hij medelijden met hen had, vergaf Hij hun steeds hun ongehoorzaamheid en vernietigde Hij hen niet. Elke keer hield Hij zich in.
39
Hij dacht er aan dat ze maar mensen waren, een zuchtje wind dat langswaait en nooit meer terugkomt.
40
Wat waren ze Hem toch vaak ongehoorzaam! Steeds weer deden ze Hem verdriet daar in de woestijn.
41
Steeds weer daagden ze God uit. Steeds weer dachten ze dat Hij hen niet zou kunnen redden.
42
Ze vergaten zijn macht. Ze vergaten hoe Hij hen had gered van hun vijand [Egypte].
43
Ze vergaten de wonderen die Hij in Egypte had gedaan.
44
Daar had Hij het Nijlwater veranderd in bloed. En niet alleen de Nijl, maar ook de andere rivieren. Niemand kon het water nog drinken.
45
Hij had allerlei ongedierte laten komen dat hen verslond. Daarna kikkers die hun het leven onmogelijk maakten.
46
Hij liet sprinkhanen komen die de planten en de oogst op-aten.
47
Met hagel en ijzel vernielde Hij de wijnstruiken en vijgenbomen.
48
Hij doodde hun vee door de hagel, hun kudden door de bliksem.
49
Woedend was Hij. Hij strafte Egypte met een leger doods-engelen.
50
Hij strafte hen zwaar. Hij ontzag niets en niemand. Hij liet hun dieren door de pest doden.
51
Ook doodde Hij alle oudste zonen in Egypte, alle eerstgeboren mannen in de huizen van Cham.
52
Maar zijn eigen volk nam Hij mee, zoals een herder zijn schapen meeneemt. Hij leidde zijn kudde door de woestijn.
53
Bij Hem waren ze veilig. Ze hoefden nergens bang voor te zijn. Want hun vijanden waren verdronken in de zee.
54
Hij bracht hen naar zijn eigen gebied, naar de berg die zijn eigendom was.
55
Hij joeg de volken voor hen weg. Hij gaf het gebied van die volken aan zijn eigen volk. Het werd hun eigendom, hun eigen land.
56
Maar ze daagden God weer uit. Ze waren koppig tegen de Allerhoogste God. Ze hielden zich niet aan zijn bevelen.
57
Net als hun voorouders waren ze ontrouw aan Hem. Ze gingen de verkeerde kant op, zoals kromme pijlen uit een slechte boog.
58
Ze maakten Hem kwaad met hun altaren voor de afgoden. Ze maakten Hem jaloers met hun godenbeelden.
59
God zag hoe ontrouw ze waren. In zijn woede liet Hij Israël in de steek.
60
Hij verliet zijn heiligdom in Silo, de plaats waar Hij bij de mensen woonde.
61
Hij liet de kist van zijn verbond — de plaats waar Hij woonde — door de vijanden meenemen als buit.
62
Hij liet zijn volk door de vijand doden, omdat Hij vreselijk boos op hen was.
63
De jonge mannen werden gedood. De meisjes hadden niemand meer om mee te trouwen.
64
De priesters werden vermoord. De weduwen hadden geen tranen meer over.
65
Toen werd de Heer wakker, zoals iemand die diep heeft geslapen, zoals een held die overmoedig roept door de wijn.
66
En Hij doodde zijn vijanden terwijl ze vluchtten. Hij versloeg hen volkomen.
67
Hij koos niet voor de stam van Jozef. Hij wilde niet meer wonen bij de stam van Efraïm.
68
Maar Hij koos de berg Sion uit in het gebied van de stam van Juda, de berg Sion waar Hij zoveel van houdt.
69
Daar bouwde Hij zijn heiligdom, indrukwekkend als de hoogste bergen, stevig en vast als de aarde.
70
En Hij koos zijn dienaar David uit. Hij haalde hem weg bij de schapen.
71
David zou niet langer voor de schapen zorgen, maar voor Gods eigen volk, het volk van Jakob.
72
David was een goede herder. Hij leidde het volk rechtvaardig en wijs.
← Chapter 77
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 67
Chapter 68
Chapter 69
Chapter 70
Chapter 71
Chapter 72
Chapter 73
Chapter 74
Chapter 75
Chapter 76
Chapter 77
Chapter 78
Chapter 79
Chapter 80
Chapter 81
Chapter 82
Chapter 83
Chapter 84
Chapter 85
Chapter 86
Chapter 87
Chapter 88
Chapter 89
Chapter 90
Chapter 91
Chapter 92
Chapter 93
Chapter 94
Chapter 95
Chapter 96
Chapter 97
Chapter 98
Chapter 99
Chapter 100
Chapter 101
Chapter 102
Chapter 103
Chapter 104
Chapter 105
Chapter 106
Chapter 107
Chapter 108
Chapter 109
Chapter 110
Chapter 111
Chapter 112
Chapter 113
Chapter 114
Chapter 115
Chapter 116
Chapter 117
Chapter 118
Chapter 119
Chapter 120
Chapter 121
Chapter 122
Chapter 123
Chapter 124
Chapter 125
Chapter 126
Chapter 127
Chapter 128
Chapter 129
Chapter 130
Chapter 131
Chapter 132
Chapter 133
Chapter 134
Chapter 135
Chapter 136
Chapter 137
Chapter 138
Chapter 139
Chapter 140
Chapter 141
Chapter 142
Chapter 143
Chapter 144
Chapter 145
Chapter 146
Chapter 147
Chapter 148
Chapter 149
Chapter 150
Chapter 79 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150