bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
/
Job 14
Job 14
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
← Chapter 13
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 15 →
1
Een mens wordt geboren en leeft een kort leven vol zorgen en verdriet.
2
Hij lijkt op een bloem die even bloeit en dan weer doodgaat. Hij lijkt op een schaduw die voorbijglijdt en verdwijnt.
3
Waarom besteedt U aan zo'n onbelangrijk mens uw tijd? U begint een rechtszaak tegen mij!
4
Maar er kan toch nooit iets zuivers voortkomen uit iets wat onzuiver is? Waarom verwacht U dat dan wel van mij?
5
Eerst heeft U bepaald hoelang ik leef. U heeft bepaald hoeveel maanden mijn leven zal tellen. U heeft de grenzen van mijn leven vastgesteld.
6
Laat mij dan nu met rust, Heer, en let niet aldoor op mij. Laat mij weer rustig van mijn dagen genieten, zoals een knecht rustig geniet van zijn werk.
7
Voor een omgehakte boom is er altijd nog hoop. Er zullen weer nieuwe takjes uit de stronk groeien. Er komen altijd wel weer nieuwe blaadjes aan.
8
Zelfs als zijn wortels in de grond oud worden en de stronk in de aarde sterft,
9
komen er weer blaadjes aan als hij water ruikt. Er groeien weer takjes uit als bij een jonge plant.
10
Maar als een mens zwak wordt en sterft, is het voor altijd afgelopen. Eenmaal dood is hij voor altijd verdwenen.
11
Net zoals het water uit een meer verdampt, en net zoals een rivier opdroogt,
12
zo gaat een mens liggen als hij sterft en staat nooit meer op. Zolang de hemel blijft bestaan, wordt hij niet meer wakker. Hij slaapt voor altijd de slaap van de dood.
13
Ik wilde wel dat U mij in het dodenrijk zou verbergen, totdat uw boosheid over was. Ik wilde wel dat U mij daar voor een bepaalde tijd zou vergeten, totdat U weer goed voor mij wilde zijn.
14
Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Want als dat zou kunnen, zou ik weer hoop hebben in deze zware tijd. Dan zou ik weten dat alle ellende op een dag voorbij zal zijn.
15
Ik wilde wel dat U mij zou roepen. Dan zou ik U antwoorden. Wilde U maar omgaan met mij, uw maaksel!
16
Maar nee, U let op elke stap die ik zet. Geen enkele ongehoorzaamheid ziet U over het hoofd.
17
Alles wat ik verkeerd heb gedaan bewaart U, zoals je iets wegbergt in een zak. U stapelt het allemaal op.
18
En net zoals een berg instort tot puin, net zoals een rots van zijn plaats wordt gerukt,
19
net zoals het rivierwater stenen afslijpt, net zoals zand de planten weer bedekt die er op gegroeid zijn, zo vernietigt U mijn hoop.
20
U overvalt een mens en het is voor altijd met hem afgelopen. U verandert zijn blijdschap in verdriet en stuurt hem weg.
21
Misschien gaat het heel erg goed met zijn zonen, maar hij ziet het niet. En als het slecht afloopt met zijn zonen, merkt hij daar ook niets van.
22
Hij wordt opgeslokt door zijn eigen pijn en ellende.
← Chapter 13
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 15 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42