bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
/
Job 8
Job 8
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
← Chapter 7
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 9 →
1
Toen zei Bildad, de vriend uit Suach, tegen Job:
2
Wanneer houd je eens op met die onzin? Hoelang zul je nog tekeer gaan als een orkaan?
3
Wil je soms zeggen dat God onrechtvaardig is? Zou de Almachtige God oneerlijk zijn?
4
Je kinderen zullen Hem wel ongehoorzaam zijn geweest, en daarvoor heeft Hij hen gestraft.
5
Maar als jij nu naar God toe gaat en Hem om genade smeekt,
6
als jijzelf helemaal niets verkeerds hebt gedaan, dan zal Hij heus wel voor je opkomen. Dan zal Hij zorgen dat het weer goed gaat met je, omdat je dat verdient.
7
Dan zul je zien dat het in de toekomst nog beter met je zal gaan dan je het vroeger ooit gehad hebt.
8
Vraag het maar aan de oude mensen. En ga maar na hoe het met hun voorouders is gegaan.
9
Maar wij leven nog maar pas en weten niets. Wij zijn pas heel kort op deze aarde.
10
Maar de oude mensen zullen het je vertellen. Ze zullen uit hun hart spreken.
11
Kan papyrus groeien als er geen moeras is? Kan riet groeien zonder water?
12
Nee, het zou sneller verdrogen dan andere grassen. Het zou verdroogd zijn voordat je het ergens voor had kunnen gebruiken.
13
Mensen die zich niets van God aantrekken, zijn als riet zonder water. Plotseling is het afgelopen met hen.
14
Dat waar zo iemand op vertrouwt, blijkt stuk te gaan onder zijn handen. Het is alsof hij vertrouwt op een huis van spinrag.
15
Hij vertrouwt op dat huis, maar het stort in. Hij probeert het overeind te houden, maar het zakt in elkaar.
16
Hij is als een sappige boom die in de volle zon staat. Zijn takken groeien breed uit in zijn tuin.
17
Zijn wortels vinden water in de grond. Ze boren zich tussen de stenen door.
18
Maar als de boom uit de grond wordt gerukt, mist de grond hem niet. Net zó mist niemand zo'n mens als God hem uit het leven wegrukt.
19
Dat is alles wat het leven hem heeft gegeven. Er komt in zijn plaats vanzelf wel iemand anders.
20
Luister: mensen die leven zoals God het wil, zal Hij nooit in de steek laten. Maar slechte mensen helpt Hij niet.
21
Op een dag zal Hij ervoor zorgen dat je weer kan lachen. Hij zal ervoor zorgen dat je weer zal kunnen juichen.
22
Maar de mensen die nu je vijanden zijn, zullen bedrogen uitkomen. Het zal slecht aflopen met de mensen die zich niets van God aantrekken.
← Chapter 7
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 9 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42