bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Ezekiel 28
Ezekiel 28
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 27
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 29 →
1
Het woord van de HEERE kwam tot mij en het luidde:
2
“Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: ‘Zo zegt mijn Heer, de HEERE: Omdat je hart zich verheft en je zegt: Ik ben god, ik zit op de zetel van god in het hart van de zeeën!, terwijl je een mens bent en geen god, meen je dus dat je hart als het hart van een god is.
3
Zie, je bent wijzer dan Daniël, geen enkel geheim is voor je verborgen.
4
Door je wijsheid en je inzicht heb je een geweldig vermogen verworven en voor goud en zilver in je schatkamers gezorgd.
5
Door je grote wijsheid bij je handel heb jij je vermogen vermeerderd en is je hart hoogmoedig geworden door je geweldige vermogen.’
6
Daarom, zo zegt mijn Heer, de HEERE: ‘Omdat je meent dat je hart als het hart van een god is,
7
zie, daarom zal Ik vreemden over je brengen, de meest gewelddadige van de volken. Zij zullen hun zwaarden opheffen tegen de schoonheid van je wijsheid en zij zullen je glans doen verbleken.
8
Zij zullen je in het graf doen neerdalen en je zult sterven zoals zij die dodelijke gewond in het hart van de zeeën neerdalen.
9
Durf je werkelijk tegenover je beulen te zeggen: ‘Ik ben god!’? In de hand en van wie jou zullen mishandelen ben je een mens, geen god.
10
Je zult sterven als de onbesnedenen door de hand van vreemden, want Ik heb het gesproken!, zo spreekt mijn Heer, de HEERE.’ ”
11
Het woord van de HEERE kwam tot mij en het luidde:
12
“Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tegen hem: ‘Zo zegt mijn Heer, de HEERE: De bekroning van een voorbeeldig bouwwerk ben jij, vol wijsheid en volmaakt in schoonheid!
13
Je was in Eden, GODs hof. Met allerlei kostbaar gesteente was je overdekt: met robijn, topaas en diamant, chrysoliet, beril en jaspis, saffier, karbonkel, smaragd en goud. Je eigenhandig gemaakte tamboerijnen waren bij je en ook je vrouwen schare op de dag dat je geschapen werd stonden zij klaar.
14
Jij was een gezalfde, beschuttende cherub, zo had Ik je daar neergezet. Jij was op de heilige berg van god, je wandelde te midden van vurige stenen.
15
Je was volmaakt in je wegen, vanaf de dag dat je geschapen werd, totdat er ongerechtigheid in je gevonden werd.
16
Door de omvang van je handel werd je binnenste met geweld gevuld en heb je gezondigd. Daarom zal Ik je van de berg van god verstoten en jou uit het midden van de vurige stenen wegvagen, jij beschuttende cherub!
17
Je hart werd hoogmoedig door je schoonheid, je wijsheid heb je bedorven door je schone schijn. Ik heb je ter aarde geworpen en je voor de ogen van koningen openlijk tentoongesteld, zodat ze op je zullen neerzien.
18
Door je vele ongerechtigheden, door je oneerlijke handel, heb jij je heiligdommen onteerd. Daarom heb Ik uit je midden een vuur doen voortkomen, dat je verteerd heeft, en Ik heb je gemaakt tot as op de aarde voor de ogen van allen die naar je keken.
19
Allen onder de volken die je kennen, zijn over je ontzet. Je bent een schrikbeeld geworden en jij zult tot in eeuwigheid niet meer zijn. ’ ”
20
Het woord van de HEERE kwam tot mij en het luidde:
21
“Mensenkind, keer je gezicht naar Sidon en profeteer tegen haar
22
en zeg: ‘Zo zegt mijn Heer, de HEERE: Zie, Ik zal je, Sidon! Ik zal in je midden verheerlijkt worden en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik oordelen aan haar voltrek en door haar geheiligd zal worden.
23
Ik zal de pest in haar midden zenden en bloed op haar straten en wie sneuvelt, zal in haar midden neervallen door het zwaard dat zich van rondom tegen haar zal keren. Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben
24
en het huis van Israël zal geen last meer hebben van een hinderlijke doorn of een pijnlijke distel vanwege allen die hen omringen, die hen verachten. Zij zullen weten, dat Ik de Heer, de HEERE ben.’ ”
25
“Zo zegt mijn Heer, de HEERE: ‘Wanneer Ik het huis van Israël uit de volken, waaronder zij verstrooid zijn, bijeengebracht heb en Ik Mij voor de ogen van de volken onder hen de Heilige betoond heb, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan mijn dienaar, aan Jakob gegeven heb.
26
Zij zullen er veilig wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten, ja, zij zullen er veilig wonen, wanneer Ik oordelen voltrokken zal hebben aan allen die hen beroofd hebben vanuit hen die hen omringen. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun GOD ben.’ ”
← Chapter 27
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 29 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48