bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Ezekiel 7
Ezekiel 7
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 6
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 8 →
1
Het woord van de HEERE kwam tot mij en het luidde:
2
“Jij, mensenkind, zo zegt mijn Heer, de HEERE, tegen het grondgebied van Israël: Het einde, het einde is gekomen over de vier hoeken van het land.
3
Nu is het einde over je gekomen, want Ik zal mijn toorn op je afsturen en je berechten overeenkomstig je wegen en Ik zal al je gruweldaden op je doen neerkomen.
4
Ik zal geen mededogen met je hebben en geen medelijden, want je wegen zal Ik op jou doen neerkomen, en je gruweldaden zullen jou zelf treffen. Zo zullen jullie weten dat Ik de HEERE ben.
5
Zo zegt mijn Heer, de HEERE: Een kwaad, een uitzonderlijk kwaad, zie, het komt.
6
Het einde is gekomen, gekomen is het einde, het is tegen je ontwaakt, zie, het komt!
7
Het lot is op jou gevallen, bewoner van het land, de tijd is gekomen, de dag vol verschrikking is genaderd, geen vreugdekreet klinkt er meer vanaf de bergen.
8
Nu zal Ik spoedig mijn woede over je uitstorten en mijn toorn volledig op je koelen. Ik zal je oordelen naar je wegen en al je gruweldaden zal Ik over je doen komen.
9
Ik zal geen mededogen hebben en geen medelijden. Naar je wegen zal Ik je vergelden en je gruweldaden zullen in je midden terechtkomen en jullie zullen weten dat Ik de HEERE het ben, die slaat.
10
Zie, de dag, zie daar het is gekomen, het lot is gevallen, de staf heeft gebloeid, de hoogmoed is uitgebroken.
11
Het geweld is opgeschoten en geworden tot een knuppel van kwaad. Er zal niets van hen overblijven, niets van hun rumoerige menigte, niets van hun lawaai en niets van al die pracht daar bij hen.
12
De tijd is gekomen, de dag is aangebroken. Laat de koper niet blij zijn en laat de verkoper niet treuren, want toorngloed hangt boven heel haar rumoerige menigte.
13
Ja, de verkoper zal niet naar het verkochte terugkeren, ook al zouden zij nog leven, want het visioen over heel de rumoerige menigte van het land zal niet worden ingetrokken, en niemand zal zich door zijn ongerechtigheid van zijn leven kunnen verzekeren.
14
Zij hebben krachtig op de bazuin geblazen en alles voorbereid, maar niemand trekt ten strijde, want mijn toorngloed is over heel de rumoerige menigte van het land.
15
Het zwaard is buiten en de pest en de honger daarbinnen. Wie op het veld is, zal door het zwaard sterven en wie in de stad is, zal door de honger en de pest verteerd worden.
16
Wie van hen ontkomen, zullen ontkomen en zij zullen op de bergen zijn als duiven uit de dalen. Allen zullen zij kermen, ieder om zijn eigen ongerechtigheid.
17
Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen als doorweekt worden van water.
18
Zij zullen zich met rouw zakken omgorden, afgrijzen zal hen bedekken en op alle gezichten zal de schaamte te lezen staan en op al hun hoofden zal kaalheid zijn.
19
Zij zullen hun zilver op de straten werpen en hun goud zal als iets onreins zijn. Hun zilver en hun goud zullen hen niet kunnen redden op de dag van de uitbarsting van woede van de HEERE. Hun ziel zullen zij niet mee verzadigen en hun buik zullen zij vullen, want het was de aanleiding tot hun ongerechtigheid.
20
De schoonheid van zijn sieraad had Hij hoog verheven, maar zij hebben daarin beelden van hun afschuwelijke afgoden en van hun gruwelen gemaakt. Daarom heb Ik het voor hen tot iets onreins gemaakt.
21
Ik zal het als roofgoed in handen van vreemden geven en aan de boosdoeners van de aarde tot buit en zij zullen het ontwijden.
22
Ik zal mijn aangezicht van hen afwenden en zij zullen mijn verborgen woon plaats ontwijden, want inbrekers zullen die binnengaan en die ontwijden.
23
Leg de ketting klaar, want het land is vol bloedvergieten, en de stad is vol geweld.
24
Ik zal de kwaadaardigste volken doen komen en zij zullen hun huizen in bezit nemen en de hoogmoed van de machthebbers doen ophouden en hun Heiligdommen zullen ontwijd worden.
25
Vreselijke angst zal hen overvallen. Zij zullen vrede zoeken, maar die zal er niet zijn.
26
Ramp op ramp zal komen en gerucht op gerucht zal rondgaan. Zij zullen het visioen van een profeet zoeken en de Wet van de priester zal verloren gaan en ook de raad van de oudsten.
27
De koning zal rouwen en de vorst zal in wanhoop gekleed gaan en de handen van het volk van het land zullen verlamd zijn van schrik. Ik zal met hen handelen overeenkomstig hun eigen weg en hen berechten volgens hun rechtsvoorschriften en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.
← Chapter 6
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 8 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48