bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Ezekiel 35
Ezekiel 35
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 34
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 36 →
1
Het woord van de HEERE kwam tot mij en het luidde:
2
“Mensenkind, keer je gezicht tegen het gebergte van Seïr en profeteer ertegen.
3
Zeg ertegen: ‘Zo zegt mijn Heer, de HEERE! Zie, Ik kom naar je toe, gebergte Seïr, en Ik zal mijn hand tegen je uitstrekken en Ik zal je tot een woeste streek en tot een wildernis maken.
4
Ik zal je steden in een puinhoop veranderen en je zult een woeste streek worden en je zult weten dat Ik de HEERE ben,
5
omdat jij een eeuwige vijandschap koestert en de zonen van Israël hebt overgeleverd aan de macht van het zwaard, in de tijd van hun ondergang, in de tijd van de eind afrekening van de ongerechtigheid.’ ”
6
“Daarom, zowaar Ik leef, spreekt mijn Heer, de HEERE: ‘Ik zal je één en al in bloed veranderen en het bloed zal je achtervolgen. Omdat je geen afkeer gehad hebt van bloed vergieten, zal bloed je achtervolgen.
7
Ik zal het Seïrgebergte in een woestenij en een woest gebied veranderen en Ik zal ieder die erdoorheen trekt en die erdoor terugkeert, uitroeien.
8
Ik zal zijn bergen met zijn gesneuvelden vullen, je heuvels en je dalen, ja, in al je water stromen zullen zij vallen, zij die door het zwaard gesneuveld zijn.
9
Ik zal je voor eeuwig in woeste streken veranderen en je steden zullen niet meer bewoond worden. Jullie zullen weten dat Ik de HEERE ben,
10
omdat je gezegd hebt: Die beide volken en die beide landen zullen van mij worden en wij zullen ze als erfdeel in bezit nemen!, terwijl de HEERE daar was.”
11
“Daarom, zowaar Ik leef, spreekt mijn Heer, de HEERE: ‘Ik zal handelen in overeenstemming met je toorn en je afgunst, die je in je haat tegen hen gekoesterd hebt, maar door hen zal Ik gekend worden, wanneer Ik jou terechtstel.
12
Jij zult weten, dat Ik, de HEERE, al je lasteringen gehoord heb die je tegen de bergen van Israël gesproken hebt door te zeggen: Zij zijn verwoest, zij zijn ons tot voedsel gegeven.
13
Zo hebben jullie je met een mond vol grootspraak tegen Mij gekeerd en jullie woorden overvloedig over Mij uitgestort. Ik heb het gehoord.
14
Zo zegt mijn Heer, de HEERE: Terwijl heel het land zich verheugt, zal Ik je tot een woest gebied maken.
15
Zoals jij je verheugd hebt over het erfdeel van het huis van Israël omdat het verwoest is, zo zal Ik ook met jou handelen! Jij, gebergte van Seïr, jij, heel Edom, een woeste streek zul je worden! Zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.’ ”
← Chapter 34
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 36 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48