bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
/
Job 10
Job 10
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 11 →
1
Mijn ziel heeft een afschuw van het leven, ik wil mijn klacht de vrije loop laten, spreken in de bitterheid mijner ziel.
2
Ik zal tot God zeggen: Veroordeel mij niet; laat mij weten, waarom Gij U tegen mij keert.
3
Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt het gewrocht uwer handen en over de raad der goddelozen licht laat stralen?
4
Hebt Gij dan vleselijke ogen, ziet Gij zoals stervelingen zien?
5
Zijn uw dagen als die van een sterveling, uw jaren als de dagen van een man,
6
dat Gij naar mijn ongerechtigheid zoekt en speurt naar mijn zonde,
7
hoewel Gij weet, dat ik niet schuldig ben, en dat niemand uit uw hand kan redden?
8
Uw handen hebben mij gewrocht en gevormd, geheel en volledig; en wilt Gij mij in het verderf storten?
9
Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gevormd, en wilt Gij mij tot stof doen wederkeren?
10
Hebt Gij mij niet als melk uitgegoten, en mij als kaas laten stremmen,
11
met huid en vlees mij bekleed, met beenderen en spieren mij doorweven?
12
Leven en genade hebt Gij mij geschonken, en uw zorg heeft mijn geest bewaakt.
13
Maar dit hadt Gij in uw hart verborgen – ik weet, dat Gij dit van zins waart –:
14
wanneer ik zou zondigen, dan zoudt Gij mij waarnemen en mij van mijn ongerechtigheid niet vrijspreken.
15
Indien ik schuldig stond – wee mij! en was ik onschuldig – ik zou, zat van smaad, en ziende op mijn ellende, mijn hoofd niet kunnen opheffen.
16
Zou het zich verheffen, dan zoudt Gij als een leeuw jacht op mij maken, en uw wondermacht tegen mij opnieuw tonen.
17
Steeds nieuwe getuigen zoudt Gij tegen mij oproepen, uw wrevel tegen mij steeds vergroten – troepen, ja een leger tegen mij!
18
Maar waarom deedt Gij mij uit de moederschoot voortkomen, gaf ik de geest niet, eer een oog mij zag?
19
Ik zou dan zijn, alsof ik niet geweest ware; van de moederschoot zou ik grafwaarts zijn gedragen.
20
Zijn de dagen mijns levens niet weinige? Laat van mij af, opdat ik een weinig vreugde beleve,
21
voordat ik heenga, zonder terug te keren, naar het land van donkerheid en diepe duisternis,
22
het stikdonkere land, waar diepe duisternis en wanorde heersen en waar het licht gelijk is aan de duisternis.
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 11 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42