bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
/
Job 41
Job 41
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
← Chapter 40
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 42 →
1
Niemand is zo vermetel, dat hij hem zou durven tergen; wie is het dan, die voor Mij kan standhouden?
2
Wie zou Mij tegemoet treden, die Ik ongedeerd zou laten? Wat onder de ganse hemel is, dat behoort Mij toe.
3
Ik wil niet zwijgen over zijn leden, noch over zijn geweldige kracht en kunstige lichaamsbouw.
4
Wie heeft de zoom van zijn kleed opgelicht? Wie dringt door zijn dubbel pantser heen?
5
Wie heeft de deuren van zijn muil geopend? Rondom zijn tanden is verschrikking.
6
Zijn rug bestaat uit beschermende schilden, aaneengesloten als een nauwpassend zegel.
7
Zo dicht raakt het ene het andere, dat de wind er niet tussen kan komen;
8
het ene kleeft aan het andere, zij grijpen onafscheidelijk ineen.
9
Zijn niezen doet licht schitteren, zijn ogen zijn als de wimpers van de dageraad.
10
Uit zijn muil komen fakkels, vuurvonken schieten eruit.
11
Uit zijn neusgaten komt een damp als uit een kokende en dampende pot.
12
Zijn adem zet kolen in brand, en een vlam stijgt op uit zijn muil.
13
In zijn nek zetelt kracht, ontsteltenis springt voor hem uit.
14
Zijn vleeskwabben sluiten vast aaneen, onbeweeglijk aan hem vastgegoten.
15
Zijn binnenste is hard als steen, hard als een onderste molensteen.
16
Verheft hij zich, dan worden machtigen bevreesd, zij geraken buiten zichzelf van ontzetting.
17
Treft iemand hem met een zwaard, dan houdt het geen stand, evenmin als lans, werphout of pijl.
18
IJzer acht hij als stro, koper als vermolmd hout.
19
Geen pijl jaagt hem op de vlucht, slingerstenen worden voor hem veranderd in stoppelen.
20
Als een stoppel acht hij een knots en hij lacht om het suizen van de lans.
21
Aan zijn onderzijde zitten puntige scherven, hij breidt een dorsslede uit op het slijk.
22
Hij doet de diepte koken als een pot, maakt de zee aan een zalfketel gelijk.
23
Achter hem is een lichtend spoor, zodat men de waterdiepte voor zilverhaar zou houden.
24
Zijns gelijke is er op aarde niet, een schepsel zonder vrees.
25
Op al wat hoog is, ziet hij neer, hij is koning over alle trotse dieren.
← Chapter 40
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 42 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42