bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
/
Job 11
Job 11
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
← Chapter 10
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 12 →
1
Toen nam de Naämatiet Sofar het woord en zeide:
2
Zou een woordenvloed onbeantwoord blijven, en een woordenkramer gelijk hebben?
3
Zou uw gezwets de lieden tot zwijgen brengen, en zoudt gij spotten zonder dat iemand u beschaamd maakt?
4
Gij zegt: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
5
Maar och, of God zelf eens sprak en zijn lippen tegen u opende,
6
en u de geheimenissen der wijsheid mededeelde, omdat zij het inzicht verdubbelt. Dan zoudt gij erkennen, dat God te uwen gunste een deel uwer ongerechtigheid in vergetelheid brengt.
7
Kunt gij de geheimen Gods doorgronden, de Almachtige doorgronden ten einde toe?
8
Zij zijn hoog als de hemel; wat kunt gij doen? dieper dan het dodenrijk; wat kunt gij weten?
9
Langer dan de aarde is hun maat, en breder zijn zij dan de zee.
10
Wanneer Hij toesnelt, gevangen neemt en de vierschaar spant, wie zal Hem dan weerhouden?
11
Want Hij kent de valse lieden, en ziet de ongerechtigheid zonder ernaar te speuren.
12
Als een leeghoofd tot inzicht gebracht kan worden, kan het veulen van een wilde ezel als mens geboren worden.
13
Indien gij uw hart bereidt, en uw handen tot Hem uitstrekt;
14
indien er ongerechtigheid in uw hand is, werp die verre weg, en laat geen onrecht in uw tent wonen –
15
ja, dan kunt gij uw gelaat smetteloos opheffen, dan zult gij vast staan en niet vrezen;
16
ja, dan zult gij de moeite vergeten, eraan denken als aan water dat is weggevloeid.
17
Klaarder dan de middag zal het leven rijzen; zij het nog zo donker, het zal worden als de morgenstond.
18
Gij zult vertrouwen, omdat er hoop is, en als gij rondgezien hebt, zult gij gerust gaan slapen;
19
gij zult nederliggen zonder dat iemand u opschrikt, en velen zullen naar uw gunst dingen.
20
Maar de ogen der goddelozen zullen versmachten, elke toevlucht is hun afgesneden, wat zij te verwachten hebben, is het uitblazen van de adem.
← Chapter 10
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 12 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42