bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
/
Job 5
Job 5
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
← Chapter 4
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 6 →
1
Roep maar – is er iemand, die u antwoordt? En tot wie van de heiligen wilt gij u wenden?
2
Voorwaar, de wrevel brengt de dwaas de dood, en de naijver doodt de onverstandige.
3
Ikzelf heb gezien, hoe een dwaas wortel schoot, maar aanstonds vervloekte ik zijn woning.
4
Zijn zonen blijven van hulp verstoken, zij worden in de poort vertreden, zonder dat iemand hen redt.
5
Een hongerige eet op, wat hij geoogst heeft, en zelfs uit de doornen haalt hij het weg, en dorstigen snakken naar hun bezit.
6
Want uit het stof komt het onheil niet voort, en uit de aarde spruit de moeite niet op.
7
Maar de mens wordt tot moeite geboren, gelijk de vonken omhoog vliegen.
8
Integendeel, ik zou naar God vragen, en aan God zou ik mijn zaak voorleggen.
9
Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen, wonderen zonder tal.
10
Hij geeft de regen op de aarde, en giet water uit over de velden.
11
Hij verheft geringen tot hoge staat, en treurenden verkrijgen krachtige hulp.
12
Hij verbreekt de raadslagen der listigen, en hun handen richten niets deugdelijks uit.
13
Hij vangt de wijzen in hun sluwheid, en het voornemen der listigen wordt verijdeld.
14
Overdag stuiten zij op duisternis en op de middag tasten zij rond als bij nacht.
15
Maar Hij redt van het zwaard van hun mond, de arme uit de hand van de sterke.
16
Zo is er dan voor de geringe hoop, en sluit de boosheid haar mond.
17
Zie, welzalig de mens, die God kastijdt; versmaad daarom de tucht des Almachtigen niet.
18
Want Hij verwondt en Hij verbindt, Hij slaat en zijn handen helen.
19
In zes noden redt Hij u, en in zeven treft het kwaad u niet.
20
In hongersnood verlost Hij u van de dood, en in oorlog van de macht van het zwaard.
21
Voor de gesel der tong zijt gij geborgen, en voor verwoesting behoeft gij niet te vrezen.
22
Verwoesting en honger zult gij belachen, en voor het wild gedierte behoeft gij niet te vrezen.
23
Want met de stenen des velds zult gij een verbond hebben, en het gedierte des velds zal in vrede met u leven.
24
Gij zult ervaren, dat uw tent vrede is, en wanneer gij uw erf overziet, zult gij niets missen.
25
Gij zult ervaren, dat uw kroost talrijk is, uw nakomelingschap als het kruid der aarde.
26
In hoge ouderdom zult gij ten grave dalen, zoals een garf op haar tijd wordt binnengehaald.
27
Zie, dit hebben wij nagespeurd, zó is het; hoor het toch en neem gij het ter harte.
← Chapter 4
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 6 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42