bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Job 18
Job 18
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 17
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 19 →
1
Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
2
Hoelang duurt het, voor jullie een einde aan jullie woorden maken? Krijg inzicht, en daarna zullen wij spreken.
3
Waarom worden wij als vee beschouwd, en zijn wij onrein in jullie ogen?
4
Jij, die je ziel verscheurt in je toorn — zou de aarde omwille van jou verlaten worden, en zou een rots van zijn plaats gehaald worden?
5
Ja, het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd, en de vlam van zijn vuur zal niet meer schijnen.
6
Het licht wordt in zijn tent verduisterd, en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.
7
Zijn krachtige schreden worden belemmerd, en zijn eigen raad werpt hem neer.
8
Want met zijn voeten wordt hij in een net geworpen, en hij wandelt over een vlechtwerk van een vangkuil.
9
Een strik grijpt hem bij de hiel, een valstrik overweldigt hem.
10
Een touw is voor hem in de aarde verborgen, een val is voor hem verborgen op het pad.
11
Verschrikkingen jagen hem rondom angst aan en jagen zijn voeten voort.
12
Zijn kracht zal tot honger worden, en de ondergang staat klaar aan zijn zijde.
13
De eerstgeborene van de dood zal de stukken van zijn huid verteren, zijn ledematen zal hij verteren.
14
Zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden; dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen.
15
In zijn tent woont wat niet van hem is; over zijn woning zal zwavel gestrooid worden.
16
Vanonder verdorren zijn wortels, en vanboven worden zijn twijgen afgesneden.
17
De gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan, en hij zal geen naam hebben op de straten.
18
Men zal hem wegstoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.
19
Hij zal geen zoon of kleinzoon hebben onder zijn volk, en niemand zal in zijn woning overblijven.
20
Over de dag van zijn ondergang zullen zij die na hem komen, ontzet zijn, en de ouderen zullen met schrik bevangen worden.
21
Zeker, zo vergaat het de woning van wie onrecht doet, en dit is de plaats van hem die God niet kent.
← Chapter 17
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 19 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42