bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Job 29
Job 29
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 28
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 30 →
1
En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
2
Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer, zoals in de dagen toen God mij bewaarde!
3
Toen Hij Zijn lamp liet schijnen boven mijn hoofd, en ik bij Zijn licht door de duisternis wandelde.
4
Was ik maar zoals in de dagen van mijn jeugd, toen de vertrouwelijke omgang met God over mijn tent was.
5
Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij.
6
Toen ik mijn voeten baadde in boter, en de rots bij mij beken van olie uitgoot.
7
Toen ik door de stad naar de poort ging, toen ik mijn zetel op het plein liet klaarzetten,
8
zagen de jongens mij en hielden zich schuil, en stokouden stonden op en bleven staan.
9
Vorsten hielden hun woorden in, en legden de hand op hun mond.
10
De stem van de vorsten verstomde, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
11
Als een oor mij hoorde, prees het mij gelukkig; als een oog mij zag, getuigde het ten gunste van mij.
12
Want ik bevrijdde de ellendige die om hulp riep, en de wees die geen helper had.
13
De zegen van hem die verloren ging, kwam over mij; en het hart van de weduwe deed ik vrolijk zingen.
14
Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en die bekleedde mij; mijn recht was als een mantel en een tulband.
15
Voor de blinde was ik als ogen, en voor de kreupele was ik als voeten.
16
Ik was een vader voor de armen, en de aanklacht die ik niet kende, onderzocht ik.
17
Ik brak de hoektanden van wie onrecht deed, en rukte de prooi uit zijn tanden.
18
Ik zei: Ik zal in mijn eigen nest de geest geven, en ik zal de dagen talrijk maken als het zand.
19
Mijn wortel was uitgestrekt naar het water, en dauw overnachtte op mijn twijgen.
20
Mijn eer was steeds nieuw bij mij, en mijn boog vernieuwde zich in mijn hand.
21
Zij luisterden naar mij, en wachtten, en zwegen om mijn raad te horen.
22
Na mijn woorden spraken zij niet opnieuw, en mijn woorden druppelden op hen neer.
23
Want zij wachtten op mij, zoals op de regen, en sperden hun mond open, zoals naar de late regen.
24
Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht van mijn aangezicht konden zij niet verdonkeren.
25
Ik koos hun weg en zat aan het hoofd, en ik woonde als een koning onder de troepen, als iemand die treurenden troost.
← Chapter 28
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 30 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42