bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Job 32
Job 32
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 31
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 33 →
1
Toen hielden deze drie mannen op Job te antwoorden, omdat hij in zijn eigen ogen rechtvaardig was.
2
Toen ontstak de woede van Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontstak zijn woede, omdat die zichzelf rechtvaardigde tegenover God.
3
Zijn woede ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij geen antwoord vonden, maar Job toch schuldig verklaarden.
4
Maar Elihu had met spreken gewacht op Job, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
5
Toen Elihu echter zag dat er geen antwoord was in de mond van die drie mannen, ontstak zijn woede.
6
Daarom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei: Ik ben jonger van dagen, maar jullie zijn stokoud; daarom was ik beschroomd en bevreesd om jullie mijn gevoelen te vertellen.
7
Ik zei: Laat de dagen spreken, en de veelheid van jaren wijsheid bekendmaken.
8
Voorwaar, het is de Geest van God in de sterveling, en de adem van de Almachtige, die hen verstandig maakt.
9
Niet de velen van jaren zijn wijs, niet de oude mensen begrijpen het recht.
10
Daarom zeg ik: Luister naar mij; ook ik zal mijn gevoelen vertellen.
11
Zie, ik heb gewacht op jullie woorden; ik heb al jullie inzichten aangehoord tot jullie naar woorden moesten zoeken.
12
Ik heb op jullie gelet, en zie, er is niemand die Job kon overtuigen, niemand van jullie die zijn woorden beantwoordde.
13
Ik zeg dit opdat jullie niet zeggen: Wij hebben de wijsheid gevonden; God stoot hem uit, geen mens.
14
Nu heeft hij geen woorden tot mij gericht, en ik zal hem geen antwoord geven met jullie woorden.
15
Zij zijn ontsteld, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich afgezet.
16
Ik heb gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil, zij antwoorden niet meer.
17
Ook ik zal op mijn beurt antwoorden, ook ik zal mijn gevoelen vertellen.
18
Want ik ben vol woorden; de geest in mijn binnenste benauwt mij.
19
Zie, mijn binnenste is als wijn die niet geopend is; als nieuwe leren zakken zou hij scheuren.
20
Ik zal spreken, zodat ik voor mijzelf lucht krijg; ik zal mijn lippen openen, zodat ik kan antwoorden.
21
O, laat ik voor niemand partijtrekken, en geen mens naar de mond praten!
22
Want ik kan niemand naar de mond praten; meteen zou mijn Maker mij wegnemen.
← Chapter 31
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 33 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42