bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Job 40
Job 40
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 39
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 41 →
1
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
2
Omgord nu als een man uw heupen, dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:
3
Wilt u ook Mijn recht vernietigen? Wilt u Mij schuldig verklaren, opdat u zelf rechtvaardig bent?
4
Hebt u een arm zoals God? En kunt u, zoals Hij, met uw stem donderen?
5
Tooi u nu met heerlijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en glorie.
6
Verspreid de verbolgenheden van uw toorn, en zie elke hoogmoedige en verneder hem.
7
Zie elke hoogmoedige en onderwerp hem, en verpletter de goddelozen op hun plaats.
8
Verberg hen tezamen in het stof; omwikkel hun gezichten in het verborgene.
9
Dan zal ook Ik u prijzen, omdat uw rechterhand u verlost heeft.
10
Zie toch, de Behemoth, die Ik gemaakt heb, evenals u, hij eet gras zoals een rund.
11
Zie toch zijn kracht in zijn lendenen, en zijn sterkte in de spieren van zijn buik.
12
Als hij wil, is zijn staart als een ceder; de pezen van zijn dijen zijn samengevlochten.
13
Zijn beenderen zijn als staven brons; zijn gebeente is als ijzeren stangen.
14
Hij is de voornaamste van Gods werken; Hij Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard verschaft.
15
De bergen brengen immers voedsel voor hem voort, en alle dieren van het veld spelen daar.
16
Hij legt zich te slapen onder schaduwrijke bomen, in een schuilplaats van riet en moeras.
17
De schaduwrijke bomen bedekken hem elk met zijn schaduw; de wilgen van de beek omringen hem.
18
Zie, als de rivier wild wordt, beeft hij niet; hij blijft kalm wanneer de Jordaan opbruist tegen zijn bek.
19
Kan iemand hem bij zijn ogen vangen? Kan iemand hem met strikken de neus doorboren?
20
Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken, of zijn tong met een touw neerdrukken?
21
Kunt u een riet door zijn neus steken, of met een doorn zijn kaak doorboren?
22
Zal hij u talrijke smeekbeden doen? Zal hij zachte dingen tegen u spreken?
23
Zal hij een verbond met u sluiten? Kunt u hem aannemen als een eeuwige slaaf?
24
Kunt u met hem spelen als met een vogeltje? Of hem vastbinden voor uw meisjes?
25
Kunnen de handelaars hem verkopen? Kunnen zij hem verdelen onder de kooplieden?
26
Kunt u zijn huid volsteken met speren, of zijn kop met een visharpoen?
27
Leg uw hand maar eens op hem; denk aan de strijd, doe het niet meer.
28
Zie, de hoop hem te overmeesteren, zal een leugen blijken; reeds bij zijn aanblik wordt men neergeworpen.
← Chapter 39
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 41 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42