bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Job 27
Job 27
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 28 →
1
En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
2
Zo waar God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan:
3
Voorzeker, zolang mijn adem nog in mij is, en het blazen van God in mijn neus,
4
zullen mijn lippen geen onrecht spreken, en zal mijn tong geen bedrog uiten!
5
Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven; tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen.
6
Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten; mijn hart zal die in mijn dagen niet minachten.
7
Laat mijn vijand zijn als een goddeloze, en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet.
8
Want wat is de hoop van de huichelaar, als God zijn leven afsnijdt, als God zijn ziel wegneemt?
9
Zal God zijn hulpgeroep horen als benauwdheid over hem komt?
10
Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige? Zal hij God te allen tijde aanroepen?
11
Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God; wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen.
12
Zie, jullie hebben het allen zelf gezien. Waarom blijven jullie dan aan vluchtigheid vasthouden?
13
Dit is het deel van de goddeloze mens bij God, en het erfelijk bezit van de geweldplegers, dat zij van de Almachtige ontvangen:
14
als zijn kinderen talrijk worden, is het voor het zwaard, en zijn nakomelingen zullen niet met brood verzadigd worden.
15
Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.
16
Als hij zilver ophoopt als stof, en kleding vervaardigt als leem,
17
zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken, en de onschuldige zal het zilver verdelen.
18
Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd, en als een hut die een wachter gemaakt heeft.
19
Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt wel niet weggenomen, maar als hij zijn ogen opendoet, is het er niet meer.
20
Verschrikkingen treffen hem als water; 's nachts zal een wervelwind hem wegnemen.
21
De oostenwind zal hem opnemen, en daar gaat hij; hij zal hem van zijn plaats wegvagen.
22
God zal dit alles over hem werpen en hem niet sparen; voor Zijn hand zal hij snel wegvluchten.
23
Men zal over hem zijn handen ineenslaan, en van afschuw over hem sissen vanuit zijn woon plaats.
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 28 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42