bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Job 4
Job 4
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 5 →
1
Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
2
Als wij een woord tot jou trachten te richten, bezwijk je dan? Echter, wie zou nu zijn woorden kunnen inhouden?
3
Zie, je hebt velen onderwezen, en je hebt slappe handen versterkt.
4
Je woorden hebben degene die struikelde, opgericht, en de knikkende knieën heb je sterk gemaakt.
5
Maar nu overkomt het jezelf, en je bezwijkt; het treft je, en je wordt door schrik overmand.
6
Is je vrezen van God dan niet je verwachting, de oprechtheid van je wegen je hoop?
7
Denk er toch aan: wie is ooit als onschuldige omgekomen, en waar zijn er ooit oprechten uitgeroeid?
8
Maar zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen en moeite zaaien, oogsten dat ook.
9
Door de adem van God komen zij om, en door het blazen van Zijn neus worden zij vernietigd.
10
Het gebrul van de leeuw, de stem van de felle leeuw, maar de tanden van de jonge leeuwen worden gebroken.
11
De leeuw komt om, omdat er geen prooi is, en de welpen van een leeuwin worden verspreid.
12
Verder, er is in het geheim een woord tot mij gebracht; mijn oor heeft er een fluistering van opgevangen,
13
in de beangstigende gedachten van de visioenen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt.
14
Angst en huiver kwamen over mij, en zij joegen de veelheid van mijn beenderen angst aan.
15
Een geest trok aan mijn gezicht voorbij; hij deed het haar van mijn lichaam te berge rijzen.
16
Hij bleef staan, maar ik herkende zijn gedaante niet; er was een gestalte voor mijn ogen. Er was stilte, en toen hoorde ik een stem, die zei:
17
Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God? Zou een man rein zijn voor zijn Maker?
18
Zie, zelfs Zijn dienaren vertrouwt Hij niet, en Zijn engelen legt Hij dwaling ten laste.
19
Hoeveel te meer dan mensen, die in lemen huizen wonen, waarvan het fundament in het stof is? Zij worden nog eerder verbrijzeld dan een mot.
20
Van de morgen tot de avond worden zij verpletterd; onopgemerkt komen zij voor altijd om.
21
Hun tentkoord wordt bij hen losgetrokken; zij sterven, maar niet in wijsheid.
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 5 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42