bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Psalms 78
Psalms 78
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 77
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 67
Chapter 68
Chapter 69
Chapter 70
Chapter 71
Chapter 72
Chapter 73
Chapter 74
Chapter 75
Chapter 76
Chapter 77
Chapter 78
Chapter 79
Chapter 80
Chapter 81
Chapter 82
Chapter 83
Chapter 84
Chapter 85
Chapter 86
Chapter 87
Chapter 88
Chapter 89
Chapter 90
Chapter 91
Chapter 92
Chapter 93
Chapter 94
Chapter 95
Chapter 96
Chapter 97
Chapter 98
Chapter 99
Chapter 100
Chapter 101
Chapter 102
Chapter 103
Chapter 104
Chapter 105
Chapter 106
Chapter 107
Chapter 108
Chapter 109
Chapter 110
Chapter 111
Chapter 112
Chapter 113
Chapter 114
Chapter 115
Chapter 116
Chapter 117
Chapter 118
Chapter 119
Chapter 120
Chapter 121
Chapter 122
Chapter 123
Chapter 124
Chapter 125
Chapter 126
Chapter 127
Chapter 128
Chapter 129
Chapter 130
Chapter 131
Chapter 132
Chapter 133
Chapter 134
Chapter 135
Chapter 136
Chapter 137
Chapter 138
Chapter 139
Chapter 140
Chapter 141
Chapter 142
Chapter 143
Chapter 144
Chapter 145
Chapter 146
Chapter 147
Chapter 148
Chapter 149
Chapter 150
Chapter 79 →
1
Een onderwijzing van Asaf. Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore, neig uw oor tot de woorden van mijn mond.
2
Ik wil mijn mond met spreuken opendoen en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
3
die wij gehoord hebben en weten en onze vaders ons verteld hebben.
4
Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen, maar aan de volgende generatie de loffelijke daden van de HEERE vertellen, Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
5
Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob, een wet vastgesteld in Israël; die heeft Hij onze vaderen geboden om ze hun kinderen bekend te maken,
6
opdat de volgende generatie ze zal kennen, de kinderen die geboren zullen worden, en zij opstaan en ze weer aan hun kinderen vertellen;
7
zodat zij hun hoop op God stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden in acht nemen,
8
en niet worden als hun vaderen: een opstandige en ongehoorzame generatie, een generatie die zijn hart niet richtte op God en van wie de geest niet trouw was aan God.
9
De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.
10
Zij namen Gods verbond niet in acht en weigerden te wandelen in Zijn wet.
11
Zij vergaten Zijn daden en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien.
12
Voor de ogen van hun vaderen had Hij wonderen gedaan in het land Egypte, in het gebied van Zoan.
13
Hij spleet de zee doormidden en deed hen erdoor gaan, de wateren deed Hij rechtop staan als een dam.
14
Hij leidde hen overdag met een wolk, de hele nacht met een lichtend vuur.
15
Hij spleet de rotsen doormidden in de woestijn en liet hen overvloedig drinken als uit diepe wateren.
16
Want Hij bracht stromen voort uit de rots en deed water neerstorten als rivieren.
17
Toch gingen zij door met tegen Hem te zondigen: zij tergden de Allerhoogste in de dorre wildernis.
18
Zij stelden God in hun hart op de proef: zij vroegen om voedsel, overeenkomstig hun verlangen.
19
Zij spraken tegen God en zeiden: Zou God een tafel gereed kunnen maken in de woestijn?
20
Zie, Hij heeft de rots geslagen, zodat er water uitvloeide en er beken overvloedig uitstroomden. Zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk van vlees kunnen voorzien?
21
Daarom hoorde de HEERE het en werd verbolgen; een vuur ontstak tegen Jakob, ja, toorn laaide op tegen Israël.
22
Want zij geloofden niet in God en vertrouwden niet op Zijn heil.
23
Hij gebood de wolken daarboven en opende de deuren van de hemel:
24
Hij liet manna op hen regenen om te eten en gaf hun hemels koren.
25
Eenieder at het brood van de machtigen; Hij zond hun proviand tot verzadiging toe.
26
Hij deed de oostenwind opsteken langs de hemel en voerde door Zijn macht de zuidenwind aan.
27
Hij liet vlees op hen regenen als stof en gevleugelde vogels als zand van de zee.
28
Hij deed het vallen midden in Zijn kamp, rondom Zijn woningen.
29
Toen aten zij en werden volop verzadigd, omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.
30
Zij waren van hun begeerte nog niet bekomen, hun voedsel was nog in hun mond,
31
of Gods toorn laaide tegen hen op: Hij doodde de welgedane mensen onder hen en velde de besten van Israël neer.
32
Ondanks dit alles zondigden zij nog en geloofden zij niet door middel van Zijn wonderen.
33
Daarom deed Hij hun dagen vergaan in vergankelijkheid, en hun jaren in verschrikking.
34
Wanneer Hij hen doodde, vroegen zij naar Hem en keerden terug en zochten God ernstig.
35
Dan dachten zij eraan dat God hun rots was en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
36
Maar zij vleiden Hem met hun mond en logen tegen Hem met hun tong.
37
Want hun hart was niet standvastig bij Hem, en zij waren niet trouw aan Zijn verbond.
38
Maar Hij was barmhartig en verzoende de ongerechtigheid, Hij richtte hen niet te gronde, maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn volle grimmigheid niet op.
39
Hij dacht eraan dat zij broze schepselen waren, een wind vlaag, die gaat en niet terugkeert.
40
Hoe vaak tergden zij Hem in de woestijn, bedroefden zij Hem in de wildernis!
41
Want telkens weer stelden zij God op de proef en beperkten de Heilige van Israël.
42
Zij dachten niet meer aan Zijn machtige hand, aan de dag dat Hij hen van de tegenstander verloste,
43
toen Hij Zijn tekenen verrichtte in Egypte en Zijn wonderen in het gebied van Zoan.
44
Hun rivieren veranderde Hij in bloed, en ook hun stromen, zodat zij niet konden drinken.
45
Hij zond steekvliegen onder hen, die hen verteerden, en kikkers, die hen te gronde richtten.
46
Hij gaf hun gewas aan de zwermsprinkhaan, aan de veldsprinkhaan hun opbrengst.
47
Hij doodde hun wijnstok door de hagel, hun wilde vijgenbomen door grote hagelstenen.
48
Ook leverde Hij hun dieren aan de hagel over, hun vee aan de vurige bliksemflitsen.
49
Hij zond Zijn brandende toorn op hen af, verbolgenheid, gramschap, benauwdheid, Hij zond een menigte boden van rampen.
50
Hij baande een pad voor Zijn toorn, Hij ontrukte hun ziel niet aan de dood, hun dieren leverde Hij over aan de pest.
51
Hij trof al het eerstgeborene in Egypte, de eerste vruchten van de mannelijke kracht in de tenten van Cham.
52
Hij liet Zijn volk als schapen wegtrekken en leidde hen als een kudde door de woestijn.
53
Ja, Hij leidde hen veilig, zodat zij niet angstig waren, want de zee had hun vijanden bedolven.
54
Hij bracht hen naar Zijn heilig grondgebied, naar deze berg, die Zijn rechterhand verworven had.
55
Hij verdreef de heidenvolken voor hun ogen, verdeelde hun erfelijk bezit door een meetsnoer en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
56
Maar zij stelden God, de Allerhoogste, op de proef en tergden Hem, en namen Zijn getuigenissen niet in acht.
57
Zij werden afkerig en handelden trouweloos, zoals hun vaders, zij keerden zich om als een bedrieglijke boog.
58
Zij verwekten Hem tot toorn door hun offer hoogten, verwekten Hem tot na-ijver door hun afgods beelden.
59
God hoorde het en werd verbolgen, Hij verachtte Israël zeer.
60
Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent waarin Hij woonde onder de mensen.
61
Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de tegenstander.
62
Hij leverde Zijn volk over aan het zwaard en werd verbolgen op Zijn eigendom.
63
Het vuur verteerde hun jongemannen, hun jonge vrouwen werden niet geprezen.
64
Hun priesters vielen door het zwaard, hun weduwen weenden niet.
65
Toen ontwaakte de Heere als iemand die slaapt, als een held die juicht van de wijn.
66
Hij sloeg Zijn tegenstanders vanachter, Hij deed hun voor eeuwig smaad aan.
67
Hij verwierp de tent van Jozef, de stam Efraïm verkoos Hij niet.
68
Maar Hij verkoos de stam Juda, de berg Sion, die Hij liefhad.
69
Hij bouwde Zijn heiligdom, als hoogten, en vast als de aarde, die Hij voor eeuwig grondvestte.
70
Hij verkoos Zijn dienaar David en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
71
Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn eigendom.
72
Hij heeft hen geweid met een oprecht hart en hen geleid met zeer bekwame hand.
← Chapter 77
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 67
Chapter 68
Chapter 69
Chapter 70
Chapter 71
Chapter 72
Chapter 73
Chapter 74
Chapter 75
Chapter 76
Chapter 77
Chapter 78
Chapter 79
Chapter 80
Chapter 81
Chapter 82
Chapter 83
Chapter 84
Chapter 85
Chapter 86
Chapter 87
Chapter 88
Chapter 89
Chapter 90
Chapter 91
Chapter 92
Chapter 93
Chapter 94
Chapter 95
Chapter 96
Chapter 97
Chapter 98
Chapter 99
Chapter 100
Chapter 101
Chapter 102
Chapter 103
Chapter 104
Chapter 105
Chapter 106
Chapter 107
Chapter 108
Chapter 109
Chapter 110
Chapter 111
Chapter 112
Chapter 113
Chapter 114
Chapter 115
Chapter 116
Chapter 117
Chapter 118
Chapter 119
Chapter 120
Chapter 121
Chapter 122
Chapter 123
Chapter 124
Chapter 125
Chapter 126
Chapter 127
Chapter 128
Chapter 129
Chapter 130
Chapter 131
Chapter 132
Chapter 133
Chapter 134
Chapter 135
Chapter 136
Chapter 137
Chapter 138
Chapter 139
Chapter 140
Chapter 141
Chapter 142
Chapter 143
Chapter 144
Chapter 145
Chapter 146
Chapter 147
Chapter 148
Chapter 149
Chapter 150
Chapter 79 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150