bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Isaiah 33
Isaiah 33
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 34 →
1
"Wee jou, verwoester, jij die zelf niet verwoest bent! En wee jou, verrader, jij die zelf niet verraden bent! Want wanneer je klaar bent met verwoesten, zul jij zelf verwoest worden. En wanneer je klaar bent met verraden, zal men jou verraden.
2
Heer***, wees ons genadig, we vestigen onze hoop op U. Wees elke morgen onze kracht, wees onze redding in tijd van nood.
3
De volken zullen op de vlucht slaan voor het tumult. Wanneer U opstaat, vluchten de volken uiteen.
4
Dan zal jullie buit verzameld worden zoals sprinkhanen zich verzamelen, als veldsprinkhanen springen ze eropaf en storten ze zich erop.
5
De Heer*** is hoogverheven, want Hij woont in de hoogte. Hij heeft Sion vervuld met recht en gerechtigheid.
6
Hij zal jullie houvast zijn in het leven, een overvloed aan redding, wijsheid en inzicht. Ontzag voor de Heer*** zal Sions schat zijn.
7
Maar zie, nu schreeuwen zelfs de moedigsten het uit in de straten, de gezanten die om vrede gingen vragen, jammeren luid.
8
De wegen liggen verlaten, de reizigers zijn verdwenen. Hij verbreekt het verbond, veracht de steden, ontziet geen mens.
9
Het land treurt en verdort. De Libanon schaamt zich, omdat alles is verwelkt. De Saronvlakte lijkt wel een woestijn. Op de Basan en de Karmel is al het blad afgevallen.
10
Nu zal Ik opstaan, zegt de Heer***. Nu zal Ik mijn grootheid tonen en mijn macht laten zien.
11
Jullie zijn zwanger van stro en zullen stoppels ter wereld brengen. Jullie eigen adem zal jullie als een vuur verbranden.
12
De volken worden verbrand als kalk, als afgehakte doornstruiken worden ze in het vuur verbrand.
13
Hoor wat Ik doe, jullie die ver weg zijn! En jullie die dichtbij zijn, erken mijn macht!
14
De zondaars in Sion zijn ontzet, de goddelozen beven. 'Wie van ons kan blijven bestaan bij dit laaiende vuur? Wie van ons kan in leven blijven bij deze eeuwige hitte?'
15
Hij die de weg van gerechtigheid bewandelt en waarheid spreekt, die uitbuiting afwijst, geen steekpenningen aanneemt, niet luistert naar bloeddorstige plannen, zijn ogen niet sluit voor het kwaad.
16
Hij zal in de hoogte wonen, de bergvesting op de rots zal zijn burcht zijn. Altijd zal hij brood hebben, altijd zal hij van water voorzien zijn.
17
Je ogen zullen de Koning in al zijn pracht zien en een wijd uitgestrekt land.
18
Je zult terugdenken aan de verschrikking en zeggen: 'Waar is de schrijver gebleven, waar is de belastingontvanger, waar is hij die de torens kwam tellen?'
19
Jullie zullen niemand meer zien van dat brutale volk, dat volk met zijn moeilijke, onverstaanbare taal.
20
Kijk naar Sion, de stad van onze bijeenkomsten. Je ogen zullen Jeruzalem zien, een veilige woonplaats, een tent die nooit wordt verplaatst, waarvan de tentpinnen voor eeuwig niet worden uitgetrokken en de tentkoorden nooit worden gebroken.
21
Daar zal de Heer*** in zijn grootheid bij ons zijn. Het zal een plaats zijn met rivieren, met brede stromen. Geen galei zal daar varen, geen machtig schip zal daar oversteken.
22
Want de Heer*** is onze Rechter, de Heer*** is onze Wetgever, de Heer*** is onze Koning: Hij zal ons bewaren.
23
Je touwen hangen nu nog slap, ze kunnen je mast niet overeind houden en je zeil niet spannen. Maar straks zal er een rijke buit worden verdeeld, zelfs kreupelen zullen buit meeroven.
24
Geen inwoner zal zeggen: 'Ik ben ziek,' want het volk dat er woont zal vergeving hebben gekregen voor alles wat het heeft misdreven."
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 34 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66