bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Isaiah 36
Isaiah 36
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 35
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 37 →
1
In het 14e regeringsjaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assur, ten strijde tegen alle versterkte steden van Juda en nam ze in.
2
Toen zond de koning van Assur vanuit Lachis de rabsake met een enorm leger naar koning Hizkia in Jeruzalem. Hij stelde zich op bij de waterleiding van de bovenste vijver, op de grote weg naar het Blekersveld.
3
Hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Hilkia, ging met de schrijver Sebna en kanselier Joa, de zoon van Asaf, naar hem toe.
4
De rabsake zei tegen hen: "Zeg tegen Hizkia: Dit zegt de machtige koning van Assur: Op wie vertrouwt u nu eigenlijk?
5
Ik zou denken: zijn lippen vol beloften hetzelfde als beleid en kracht? Op wie vertrouwt u, dat u tegen mij in opstand durft te komen?
6
Op Egypte zeker, die gebroken rietstaf die de hand doorboort van degene die erop steunt – want zo is de farao voor iedereen die op hem vertrouwt.
7
En als u tegen mij zegt: 'Wij vertrouwen op onze Heer*** God' – heeft Hizkia niet juist van Hém alle offerhoogten en altaren afgebroken? Heeft hij niet tegen Juda en Jeruzalem gezegd: 'Alleen bij dit altaar mogen jullie je neerbuigen'?
8
Wel, waarom gaat u niet met mijn heer, de koning van Assur, een weddenschap aan? Ik zal u 2000 paarden geven, als u daarvoor de ruiters kunt leveren!
9
Maar hoe zou u een aanval kunnen afslaan van een aanvoerder van een van de minste dienaren van mijn heer, zelfs als u op Egypte rekent voor strijdwagens en ruiters?
10
Ben ik soms buiten de wil van de Heer*** naar dit land opgetrokken om het te verwoesten? De Heer*** heeft tegen mij gezegd: 'Trek tegen dat land op en vernietig het.' "
11
Eljakim, Sebna en Joa zeiden tegen de rabsake: "Spreek alstublieft Aramees met ons, want dat verstaan wij. Maar spreek geen Judees met ons, want de mannen op de muren luisteren mee."
12
Maar de rabsake antwoordde: "Heeft mijn heer mij dan met deze boodschap alleen naar uw heer en u gezonden? Toch ook naar de mannen op de muur, die binnenkort, net als u, niets anders te eten en te drinken zullen hebben dan hun eigen stront en pis?"
13
Daarop liep de rabsake naar voren en riep luid in het Judees: "Luister naar de woorden van de machtige koning van Assur!
14
Dit zegt de koning: Laat je niet door Hizkia misleiden, hij zal jullie niet kunnen redden.
15
Laat je ook niet door Hizkia wijsmaken dat jullie op de Heer*** moeten vertrouwen. Hij zegt wel: 'De Heer*** zal ons redden, deze stad zal de koning van Assur niet in handen vallen,'
16
maar luister niet naar Hizkia, want de koning van Assur zegt: 'Geef je aan mij over en betaal mij schatting. Dan zal ieder van jullie in vrede van de opbrengst van zijn wijnstok en vijgenboom kunnen eten en water uit zijn eigen waterput kunnen drinken,
17
totdat ik jullie kom halen en naar een land breng dat is als jullie eigen land, een land vol graan en wijngaarden, een land vol brood en wijn.'
18
Laat je niet door Hizkia misleiden met zijn bewering: 'De Heer*** zal ons redden.' Hebben de goden van de andere volken soms hun land kunnen redden uit de macht van de koning van Assur?
19
Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben die soms Samaria uit mijn macht gered?
20
Wie van alle goden van die volken hebben hun land uit mijn macht kunnen redden? Zou de Heer*** dan Jeruzalem wél uit mijn macht kunnen redden?"
21
Maar iedereen zweeg en antwoordde hem geen woord, want de koning had bevolen: 'Jullie mogen hem niets antwoorden.'
22
Daarop gingen hofmaarschalk Eljakim, schrijver Sebna en kanselier Joa met gescheurde kleren naar Hizkia terug en brachten hem de woorden van de rabsake over.
← Chapter 35
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 37 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66