bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Genesis 32
Genesis 32
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 31
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 33 →
1
Jakob en zijn metgezellen trokken verder. En engelen van God ontmoetten hem.
2
Toen Jakob hen zag, riep hij: "Dat is een leger van God!"
3
Daarom noemde hij die plaats Mahanaïm (Twee Legers). Jakob zond daarna boodschappers voor zich uit naar zijn broer Esau in Edom, in het land Seïr.
4
Zij kregen de boodschap mee: "Ik ben uw knecht Jakob. Ik heb tot voor kort bij oom Laban gewoond en nu ik terugkom, heb ik runderen, ezels, schapen en veel dienaren en dienaressen.
5
Ik stuur deze boodschappers naar u toe om u te zeggen dat ik er aan kom. Ik hoop dat u ons vriendelijk zult ontvangen."
6
De boodschappers keerden na enige tijd terug met het nieuws dat Esau hen tegemoet kwam met een leger van 400 man!
7
Jakob verbleekte van schrik. Hij deelde zijn huishouden met de kudde en de kamelen in twee groepen en zei:
8
"Als Esau de ene groep aanvalt, kan de andere groep misschien ontsnappen."
9
Toen bad Jakob: "God van mijn groot vader Abraham en mijn vader Isaäk (HERE, Die mij heeft gezegd dat ik moest teruggaan naar het land van mijn familie en Die beloofde goed voor mij te zijn) ik ben het niet waard dat U mij zoveel goedheid hebt bewezen, steeds weer, zoals U had beloofd. Toen ik van huis vertrok, had ik alleen maar een staf en nu heb ik twee legers!
11
Och HERE, bescherm mij nu ook tegen mijn broer Esau, want ik ben bang. Bang dat hij mij en deze moeders en hun kinderen komt doden.
12
Maar U hebt mij beloofd goed voor mij te zijn en mijn nakomelingen talrijk te maken als het zand langs de zee!"
13
Jakob bleef daar die nacht en maakte een geschenk voor zijn broer Esau klaar, dat bestond uit 200 geiten, 20 bokken, 200 ooien, 20 rammen, 30 zogende kamelen met hun veulens, 40 koeien, 10 stieren, 20 ezelinnen en 10 ezels.
16
Jakob gaf zijn dienaren de opdracht de dieren voor hen uit te leiden, elke groep apart, met tussenruimtes.
17
Hij zei de mannen die de eerste groep moesten leiden, dat als zij Esau tegenkwamen en hij zou vragen: "Waar gaan jullie heen?", "Wiens dienaren zijn jullie?", "Wiens dieren zijn dit?", zij zouden moeten antwoorden: "Deze dieren zijn van uw dienaar Jakob. Zij zijn een geschenk voor zijn meester Esau! Hij komt vlak achter ons aan!"
19
Die opdracht gaf Jakob aan iedere herder, met dezelfde boodschap.
20
Jakob hoopte Esau gunstig te stemmen, voordat hij hem ontmoette. "Misschien", redeneerde Jakob, "zal hij ons dan vriendelijk behandelen."
21
Zo werd het vee vooruit gedreven en Jakob bleef die nacht in het kamp. Jakob krijgt een nieuwe naam
22
Maar midden in de nacht stond hij op, wekte zijn twee vrouwen, de twee bijvrouwen en de elf kinderen en trok bij een doorwaadbare plaats het riviertje de Jabbok over. Toen ging hij alleen terug naar het kamp. En een Man vocht daar met hem tot het dag werd.
25
En toen de Man merkte dat Hij het gevecht niet kon winnen, sloeg Hij Jakob op de heup zodat het gewricht uit de kom schoot.
26
Toen zei de Man: "Laat Mij los, want het wordt dag." Maar Jakob hijgde: "Ik laat U niet los, voordat U mij hebt gezegend."
27
"Hoe heet u?" vroeg de Man. "Jakob", was het antwoord.
28
"Zo zult u niet langer heten", vertelde de Man hem. "Voortaan heet u Israël, want u hebt met God en de mensen gestreden en overwonnen."
29
Toen vroeg Jakob de Man: "Wat is Uw naam?" "Dat moet u niet vragen", antwoordde de Man. En Hij zegende Jakob daar.
30
Jakob noemde die plaats Pniël (Het Gezicht van God) en zei: "Ik heb God recht in de ogen gekeken en toch is mijn leven gespaard."
31
De zon was al op, toen Jakob Pniël verliet. Hij liep mank door de klap op zijn heup.
32
Dit is de reden waarom de Israëlieten nog steeds niet het stuk van de heupspier eten, die de heup rekt.
← Chapter 31
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 33 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50