bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Genesis 36
Genesis 36
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 35
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 37 →
1
Hier is een lijst van de afstammelingen van Esau (die ook wel Edom werd genoemd):
2
Esau trouwde met drie Kanaänitische meisjes: Ada, de dochter van de Hethiet Elon, Oholibama, de dochter van Ana en kleindochter van de Heviet Zibeon, en Basmath, de dochter van Ismaël (dus Esau's nicht) en de zuster van Nebajoth.
4
Esau en Ada kregen een zoon, Elifaz. Esau en Basmath hadden een zoon met de naam Rehuël.
5
Esau en Oholibama hadden drie zonen: Jehus, Jaëlam en Korach. Al deze zonen werden geboren in het land Kanaän.
6
Toen nam Esau zijn vrouwen, zijn kinderen, zijn hele huishouding, het vee en de kudde (alle bezittingen, die hij in Kanaän had vergaard) en trok naar het gebergte Seïr, weg van zijn broer Jakob. Het land was niet groot genoeg om in alle behoeften van hun vee te voorzien.
9
Hier zijn de namen van Esau's afstammelingen, de Edomieten die hem in het gebergte Seïr werden geboren:
10
Nakomelingen van zijn vrouw Ada, die haar zoon Elifaz kreeg, waren: Teman, Omar, Zefo, Gaëtham, Kenaz en Amalek (dat was een kind van Timna, de bijvrouw van Elifaz).
13
Esau kreeg ook kleinkinderen via zijn vrouw Basmath. Haar zoon Rehuël kreeg Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
15
Esau's kleinkinderen werden stamhoofden van de volgende stammen: de stam van Teman, de stam van Omar, de stam van Zefo, de stam van Kenaz, de stam van Korach, de stam van Gaëtam en de stam van Amalek. De bovengenoemde stammen waren nakomelingen van Elifaz, de oudste zoon van Esau en Ada.
17
De volgende stammen waren nakomelingen van Rehuël, de zoon die Esau en Basmath kregen in Kanaän: de stam van Nahath, de stam van Zerah, de stam van Samma en de stam van Mizza.
18
En dit zijn de stammen, die de namen dragen van de zonen van Esau en Oholibama (de dochter van Ana): de stam van Jehus, de stam van Jaëlam en de stam van Korach.
20
Dit zijn de namen van de stammen, die voortkwamen uit Seïr: de stam van Lothan, de stam van Sobal, de stam van Zibeon, de stam van Ana, de stam van Dison, de stam van Eser en de stam van Disan.
22
De kinderen van Lothan (de zoon van Seïr) waren Hori en Heman (Lothan had ook nog een zuster, Timna).
23
De kinderen van Sobal waren Alvan, Manahath, Ebal, Zefo en Onam.
24
De kinderen van Zibeon waren Aja en Ana (deze jongen vond hete bronnen in de woestijn, terwijl hij de ezels van zijn vader hoedde).
25
De kinderen van Ana waren Dison en het meisje Oholibama.
26
De kinderen van Disan waren Hemdan, Esban, Jithran en Cheran.
27
De kinderen van Ezer waren Bilhan, Zaävan en Akan.
28
De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
31
Dit zijn de namen van de koningen, die Edom regeerden voordat Israël haar eerste koning had: Koning Bela, de zoon van Beor, regeerde vanuit de stad Dinhaba in Edom. Zijn opvolger was koning Jobab, de zoon van Zerah en deze regeerde in Bozra. Toen Jobab stierf, volgde Husan uit Teman hem op. Diens opvolger was koning Hadad, de zoon van Bedad, de aanvoerder van de strijdkrachten, die het leger van Midean versloegen toen het Moab binnendrong. Hij woonde in de stad Avith. Zijn opvolger was koning Samla, die regeerde vanuit Masreka. Diens opvolger was koning Saul, die regeerde vanuit Rehoboth, aan de rivier. Sauls opvolger was koning Baäl-Hanan, de zoon van Achbor. Diens opvolger was koning Hadar, die regeerde vanuit de stad Pahu. Zijn vrouw heette Mehetabeël en was de dochter van Matred en kleindochter van Mezahab.
40
Hier zijn de namen van de onderstammen van Esau. De plaatsen waar zij woonden, werden naar hen genoemd: de stam van Timna, de stam van Alva, de stam van Jetheth, de stam van Oholibama, de stam van Ela, de stam van Pinon, de stam van Kenaz, de stam van Teman, de stam van Mibzar, de stam van Magdiël en de stam van Iram. Dit zijn dus de namen van de onderstammen van Edom, die hun namen gaven aan de gebieden, die zij bewoonden (het waren allemaal Edomieten, afstammelingen van Esau).
← Chapter 35
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 37 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50