bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Genesis 33
Genesis 33
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 34 →
1
Toen zag Jakob in de verte Esau met 400 man aankomen.
2
Hij zette zijn gezin in een rij met zijn twee bijvrouwen en hun kinderen voorop, daarachter Lea met haar kinderen en helemaal achteraan Rachel met Jozef.
3
Jakob liep naar voren tot hij bij zijn broer kwam en boog zeven keer diep voor hem.
4
Maar Esau rende op hem af en omarmde hem! Ze kusten elkaar op de wangen en huilden.
5
Esau wees op de vrouwen en kinderen en vroeg: "Wie zijn dat, die je daar bij je hebt?" "Mijn kinderen", antwoordde Jakob.
6
Zijn bijvrouwen en hun kinderen kwamen naar voren en bogen diep voor Esau.
7
Daarna deden Lea en haar kinderen hetzelfde, evenals Rachel en Jozef.
8
"En wat waren dat voor dieren, die ik tegenkwam?" vroeg Esau. Jakob antwoordde: "Dat waren geschenken voor jou om je gunstig te stemmen!"
9
"Broer, ik heb al genoeg", lachte Esau, "hou jij je dieren maar."
10
"Nee, ik wil graag dat je die geschenken aanneemt", zei Jakob. "Het is een hele opluchting voor mij dat je ons zo vriendelijk tegemoet komt. Dat ik jou in deze stemming mag ontmoeten, betekent voor mij evenveel als de vertroostende blik van God.
11
Neem mijn geschenken alsjeblieft aan, want God is erg goed voor mij geweest. Ik heb toch alles", was Jakobs antwoord. Daarop nam Esau dan toch de geschenken maar aan.
12
"Nou, laten we dan maar gaan", zei Esau. "Mijn mannen en ik zullen bij jullie blijven en jullie begeleiden."
13
Maar Jakob wierp tegen: "Zoals je ziet, zijn sommige kinderen nog erg klein en het vee heeft ook jongen. Als die te snel worden gedreven, zullen ze doodgaan.
14
Ga jij maar vast vooruit, wij volgen wel in ons eigen tempo en dan ontmoeten we elkaar in Seïr."
15
"Goed", zei Esau, "maar dan zal ik een aantal mannen bij je laten om je te helpen en de weg te wijzen." "Nee", hield Jakob vol, "wij komen er wel. Doe alsjeblieft wat ik heb voorgesteld."
16
En Esau ging diezelfde dag nog terug naar Seïr.
17
Jakob en zijn metgezellen reisden door tot Sukkoth, sloegen daar hun kamp op en bouwden hutten voor de kudde. Daarom heet die plaats Sukkoth (Hutten).
18
Daarna kwamen zij veilig aan in Sichem, in Kanaän en sloegen hun kamp op buiten de stad.
19
Jakob kocht het stuk land, waarop hij zijn tent had opgezet, voor 100 zilverstukken van de familie van Hemor, de vader van Sichem.
20
Hij bouwde daar een altaar en noemde het: 'De God van Israël is God.'
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 34 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50