bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Genesis 42
Genesis 42
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 41
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 43 →
1
Toen Jakob hoorde dat in Egypte graan te koop was, zei hij tegen zijn zonen: "Waarom staan jullie elkaar nog aan te kijken?
2
Ik heb gehoord dat in Egypte graan te krijgen is. Jullie moeten daar voedsel gaan kopen, voordat we allemaal verhongeren."
3
Zo trokken Jozefs tien oudere broers naar Egypte om graan te kopen.
4
Jakob hield zijn jongste zoon, Benjamin, thuis omdat hij bang was dat hem een ongeluk zou overkomen.
5
Temidden van talloze andere buitenlanders kwamen Israëls zonen in Egypte aan, want overal heerste honger.
6
Als leider van Egypte ging Jozef over de verkoop van graan en zo verschenen ook zijn broers voor hem. Zij bogen diep, met hun gezichten vlakbij de grond.
7
Jozef herkende hen direct, maar deed net alsof zij vreemdelingen waren. "Waar komt u vandaan?" vroeg hij bits. "Uit het land Kanaän", antwoordden zij. "Wij zijn gekomen om graan te kopen."
8
Op dat moment herinnerde Jozef zich de dromen uit zijn jeugd! Maar hij ging op bitse toon verder: "U bent spionnen; u bent hier om te zien of de honger ons land heeft verzwakt."
10
"Nee, nee!" riepen zij. "Wij zijn hier echt om voedsel te kopen.
11
Wij zijn allemaal broers en eerlijke mannen! Wij zijn echt geen spionnen!"
12
"Jawel, dat bent u wel", hield Jozef vol. "U bent hier om onze zwakke plekken te ontdekken."
13
"Dat is niet zo", zeiden zij, "wij zijn thuis met twaalf zonen en onze vader woont in het land Kanaän. Onze jongste broer is bij hem achtergebleven en een andere broer van ons is dood."
14
"Dat bewijst natuurlijk niets", vond Jozef. "U blijft spionnen voor mij.
15
Maar u kunt uw verhaal bewijzen: ik zweer bij het leven van Farao dat u hier niet wegkomt voordat ik die jongste broer heb gezien.
16
Eén van u kan hem gaan halen! De rest blijft hier achter in de gevangenis. Dan zullen we zien of uw verhaal klopt. En als er geen jongste broer blijkt te zijn, bent u spionnen!"
17
Hij liet de tien broers drie dagen lang in de gevangenis zetten.
18
De derde dag zei Jozef tegen hen: "Ik ben een godvrezend man en daarom zal ik u een kans geven.
19
Ik ga ervan uit dat u eerlijk bent en daarom: één blijft hier in de boeien achter, de rest mag terugkeren naar huis met graan voor uw gezinnen.
20
Maar kom wel terug met die jongste broer! Op die manier zal ik weten of u de waarheid hebt gesproken. Als dat zo is, zal ik uw leven sparen." De broers konden niets anders doen dan ja-knikken.
21
Onderling praatten ze opgewonden: "Dit hebben we allemaal te danken aan wat we Jozef vroeger hebben aangedaan. Wij zagen zijn angst en hoorden hem smeken, maar we wilden niet luisteren."
22
"Heb ik het jullie niet gezegd?" zei Ruben. "Maar jullie wilden niet naar mij luisteren. Nu zijn we ten dode opgeschreven, omdat wij hem hebben vermoord."
23
De broers konden niet weten dat Jozef, die erbij stond, alles had verstaan, want hij had via een tolk met hen gesproken.
24
Nu liep hij het vertrek uit en huilde. Toen hij terugkwam, wees hij Simeon aan als degene, die moest achterblijven en liet hem vastbinden waar zijn broers bij stonden.
25
Jozef gaf zijn dienaren opdracht de zakken van de mannen met graan te vullen en liet in het geheim het bedrag, dat elke broer hem voor het graan had betaald, bovenin de zakken leggen! Bovendien zorgde hij voor voedsel voor onderweg.
26
De broers laadden de zakken op hun ezels en begonnen aan de terugtocht.
27
Maar toen zij tegen de avond stopten en één van hen zijn zak opende om wat graan voor de ezels te pakken, vond hij zijn geld bovenop het graan!
28
"Kijk nu eens!" riep hij naar de anderen. "Mijn geld zit hier in de zak." Het klamme zweet brak hen uit. "Wat heeft God ons nu aangedaan?" vroegen zij zich angstig af.
29
Zo kwamen ze tenslotte terug bij hun vader Jakob in het land Kanaän en vertelden hem het hele verhaal.
30
"Die leider van Egypte die over het graan gaat, sloeg gelijk een bitse toon tegen ons aan", vertelden zij Jakob. "Hij beschuldigde ons ervan spionnen te zijn.
31
Wij hebben hem verteld dat wij eerlijke mannen zijn en geen spionnen.
32
Wij zijn thuis met twaalf broers, allen zonen van één vader. Eén van onze broers is dood en de andere is achtergebleven bij onze vader in het land Kanaän.
33
Toen zei die man tegen ons: 'U zult moeten bewijzen dat uw verhaal waar is. Eén van u blijft hier. De anderen gaan met graan voor hun gezinnen naar huis.
34
Maar als ze terugkomen, nemen ze die andere broer wel mee. Dan zal ik weten wat u bent: eerlijke mannen of spionnen. Als u bewijst dat u eerlijk bent, zal ik uw broer teruggeven en kunt u hier te allen tijde komen om graan te kopen."
35
Toen zij de zakken met graan leegden, bleek in elke zak het geld te zitten dat zij hadden betaald! De vader en zijn zonen keken elkaar angstig aan.
36
Toen riep Jakob uit: "Jullie hebben mij van mijn kinderen beroofd! Jozef kwam nooit terug. Simeon zit gevangen en nu willen jullie Benjamin ook nog meenemen! Waar heb ik dat toch aan verdiend!"
37
Ruben probeerde zijn vader te overreden: "Als ik Benjamin niet terugbreng, mag u mijn twee zonen doden. Ik neem de verantwoording voor hem op mij."
38
Maar Jakob weigerde: "Mijn zoon gaat niet mee. Zijn broer Jozef is dood en hij is de enige, die is overgebleven van zijn moeders kinderen. Als hem iets overkomt, zou dat mijn dood betekenen."
← Chapter 41
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 43 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50