bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Genesis 47
Genesis 47
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 46
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 48 →
1
Na hun aankomst ging Jozef naar Farao. "Mijn vader en mijn broers zijn aangekomen vanuit Kanaän", rapporteerde hij, "met hun schapen, runderen en andere bezittingen. Zij willen zich graag in het land Gosen vestigen."
2
Hij had vijf broers meegenomen en stelde hen aan Farao voor.
3
Die vroeg: "Wat is uw beroep?" Zij antwoordden: "Wij zijn schaapherders, net als onze voorouders.
4
Wij zijn gekomen om ons hier in Egypte te vestigen, want in Kanaän is geen voedsel voor onze kudden. De hongersnood is daar erg zwaar. Wij willen u graag toestemming vragen om ons in het land Gosen te mogen vestigen."
5
Farao zei tegen Jozef: "Kies maar een plaats waar ze zich kunnen vestigen.
6
Geef hun het beste land van Egypte. Het land Gosen lijkt mij wel geschikt. En als er geschikte mensen bij zijn, mag u die wel als opzichters over mijn schaapskudden aanstellen."
7
Toen bracht Jozef zijn vader Jakob bij Farao. En Jakob zegende Farao.
8
"Hoe oud bent u?" vroeg Farao.
9
Jakob antwoordde: "Ik heb 130 lange, harde jaren geleefd en ben nog lang niet zo oud als sommigen van mijn voorouders zijn geworden."
10
Voor hij vertrok, zegende Jakob Farao nog een keer.
11
Zo wees Jozef het beste stuk land van Egypte (het land Rameses) toe aan zijn vader en zijn broers, precies zoals Farao het had geboden.
12
Jozef voorzag hen bovendien van voedsel, genoeg voor iedereen.
13
De hongersnood werd steeds erger en Egypte en Kanaän hadden er veel van te lijden.
14
Jozef verzamelde al het geld in Egypte en Kanaän in ruil voor graan en bracht al dat geld onder in Farao's kluizen.
15
Toen de mensen geen geld meer hadden, kwamen zij naar Jozef toe en smeekten om voedsel. "Al ons geld is op", zeiden zij, "maar wij moeten toch eten, waarom zouden wij sterven?"
16
"Goed", zei Jozef, "u kunt mij betalen met het vee dat u bezit. Vee in ruil voor graan."
17
Zo brachten de mensen hun vee naar Jozef in ruil voor voedsel. Al spoedig bezat Farao alle paarden, schapen, runderen en ezels, die in Egypte te vinden waren.
18
Een jaar later kwamen de mensen weer terug en zeiden: "Ons geld is op en al het vee is nu van u. Wij hebben alleen onze lichamen en ons land nog.
19
Waarom zouden wij sterven? Koop ons en ons land en wij zullen de lijfeigenen van Farao zijn. Wij zullen onszelf ruilen voor voedsel, dan blijven wij in leven en komt het land niet braak te liggen."
20
Zo kocht Jozef al het land in Egypte voor Farao; alle Egyptenaren verkochten hem hun grond vanwege de zware hongersnood. Al het land werd zo het eigendom van Farao.
21
Op die manier werden de Egyptenaren lijfeigenen van Farao.
22
Het enige land dat hij niet kocht, was dat van de priesters. Zij kregen voedsel toegewezen door Farao en hoefden het niet te kopen.
23
Toen zei Jozef tegen de mensen: "Ik heb u en uw land voor Farao gekocht. Hier is graan. Ga terug naar uw land en zaai het in.
24
En wanneer u de oogst binnenhaalt, is éénvijfde deel ervan voor Farao. Viervijfde deel kunt u houden als zaaisel voor het volgende jaar en als voedsel voor uw gezinnen."
25
"U hebt onze levens gered", vonden de mensen. "Wij zullen Farao graag dienen als lijfeigenen."
26
Jozef maakte een wet voor het land Egypte (en die wet is nog steeds van kracht) dat 20 procent van alle oogsten door Farao werd opgeëist als een belasting. De enige uitzondering daarop vormde het land, dat eigendom was van de tempels.
27
Zo woonde Israël in het land Gosen en raakte daar ingeburgerd. De familie was vruchtbaar en groeide snel.
28
Jakob leefde nog zeventien jaar na zijn aankomst in Egypte. Hij was 147 jaar oud toen hij stierf.
29
Toen hij zijn dood voelde naderen, riep hij Jozef bij zich en zei: "Zweer mij plechtig dat je mijn laatste wil zult eerbiedigen en uitvoeren. Begraaf mij niet in Egypte.
30
Wanneer ik gestorven ben, moet je mij uit Egypte wegbrengen en naast mijn voorouders begraven." Jozef beloofde het zijn vader.
31
"Zweer dat je dat zult doen", drong Jakob aan. En Jozef deed dat. Daarna boog Israël zich dankbaar neer aan het hoofdeinde van zijn bed.
← Chapter 46
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 48 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50