bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Job 15
Job 15
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 14
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 16 →
1
Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
2
Zal een wijze man antwoorden met oppervlakkige kennis? Zal hij zijn buik met oostenwind vullen?
3
Pleit hij met woorden die geen nut hebben, met opmerkingen die niets uitwerken?
4
Jij, echter, doet de vrees voor God geweld aan en neemt het gebed voor Gods aangezicht weg.
5
Want je mond maakt je ongerechtigheid bekend, jij spreekt graag met de tong van sluwe mensen.
6
Je mond veroordeelt je, niet ik, en je lippen getuigen tegen je.
7
Ben jij de eerste mens die geboren werd? Of ben jij eerder dan de heuvels voortgebracht?
8
Heb jij soms in de vertrouwelijke raadszitting van God mee geluisterd, heb jij de wijsheid naar je toe getrokken?
9
Wat weet jij dat wij niet weten? Wat begrijp jij dat bij ons ontbreekt?
10
Onder ons is ook een grijsaard en een hoogbejaarde, die ouder zijn dan je vader.
11
Is de vertroosting van God te gering voor jou, of een woord dat met fijngevoeligheid tot je gesproken is?
12
Waarom sleept je hart je zo mee, waarom flikkeren je ogen,
13
zodat jij je geest tegen God keert, en jij al die woorden uit je mond laat komen?
14
Wat is de mens dat hij rein zou zijn, en hij die uit een vrouw geboren is, dat hij rechtvaardig zou zijn?
15
- Zie, op zijn heiligen vertrouwt Hij niet, en de hemelen zijn niet rein in zijn ogen! -
16
Des te minder degene die zich gruwelijk gedraagt en verdorven is, de man die onrecht indrinkt als water!
17
Ik zal het je uitleggen, luister naar mij, dan zal ik zeggen wat ik gezien heb,
18
wat wijzen door vertelden zonder iets van hun vaderen te verbergen.
19
Aan hen alleen was het land gegeven, geen vreemde trok er doorheen.
20
Alle dagen dat een boosdoener leeft, wordt hij gekweld, en het aantal jaren dat de geweldenaar te gaan heeft, is voor hem verborgen
21
Het geluid van verschrikkingen klinkt in zijn oren. Zelfs in een tijd van vrede overvalt hem de verwoester.
22
Hij verwacht niet, dat hij uit de duisternis zal terugkeren, maar dat hij bestemd is voor het zwaard.
23
Hij zwerft rond voor brood. ‘ O, waar is het toch?’ Hij weet dat de dag van duisternis nabij is.
24
Benauwdheid en verdrukking jagen hem schrik aan, zij overweldigen hem als een koning die klaar staat voor de strijd.
25
Want hij strekt zijn hand tegen God uit, hij verheft zich met groot spraak tegen de Almachtige.
26
Hij rent op Hem af met een stijve nek, weggedoken achter aaneengesloten ruggen van schilden.
27
Want zijn gezicht heeft hij met vet bedekt, en op zijn lenden en heeft hij vet gesmeerd.
28
Hij woont in steden die met de grond gelijk gemaakt zijn, in huizen waarin men niet meer woont, die gedoemd zijn om in puin hopen te veranderen.
29
Hij zal niet rijk worden en zijn vermogen zal niet standhouden, hun bezit zal zich niet over de aarde uitbreiden.
30
Hij zal niet aan de duisternis ontsnappen, de vlam zal zijn jonge takken verzengen, hij zal omkomen door de adem van zijn mond.
31
Laat hij niet vertrouwen op wat vergaat, want dan zal zijn loon vergankelijk zijn.
32
Als zijn dag nog niet gekomen is, zal het met hem afgelopen zijn, want zijn palmtak zal niet groen worden.
33
Hij zal als een wijnstok zijn onrijpe druiven afschudden, zijn bloesem afwerpen als een olijfboom.
34
Want de menigte huichelaars brengt niets goeds, en vuur verteert de tenten die bol staan van omkoperij.
35
Zij zijn zwanger van moeite en baren onrecht, in hun schoot huist bedrog.
← Chapter 14
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 16 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42