bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Job 4
Job 4
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 5 →
1
Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
2
Als iemand zou wagen het woord tot je te richten, zou jij daar dan niet terneergeslagen van worden? Maar wie zou zijn woord en kunnen inhouden?
3
Zie, jij hebt velen onderwezen en slappe handen heb je gesterkt.
4
Je woorden hebben degene die struikelde opgericht en knikkende knieën heb je weer kracht gegeven.
5
Maar nu overkomt het jezelf en ben je terneergeslagen, nu treft het jou en ben je ontzet.
6
Was niet je vrees voor God jouw steun, en de oprechtheid van je wegen jouw hoop?
7
Bedenk toch, wie kwam er ooit onschuldig om, en waar werden er ooit oprechten weggevaagd?
8
Ik heb gezien dat wie onrecht ploegen en ellende zaaien, het ook oogsten.
9
Zij vergaan door de adem van God, door het blazen van zijn neus komen zij aan hun einde.
10
Het brullen van de leeuw en de stem van de jonge leeuw en de tanden van de welpen worden verbroken.
11
De leeuw komt om, omdat er geen prooi is, en de jongen van een leeuwin worden verstrooid.
12
Als een dief, zo drong er een woord tot mij door, mijn oor heeft er een flard van opgevangen,
13
bij angstaanjagende gedachten door nachtelijke visioenen, wanneer er een diepe slaap op de mensen gevallen is.
14
Schrik en beving overvielen mij, al mijn beenderen werden opgeschrikt.
15
Een geest gleed aan mijn gezicht voorbij, hij maakte dat het haar op mijn lichaam overeind ging staan.
16
Hij stond stil, maar zijn gedaante herkende ik niet. Een gestalte stond voor mijn ogen. Toen hoorde ik een fluisterende stem zeggen:
17
‘Zou een sterfelijk mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?’
18
Zie, zelfs op zijn dienaren vertrouwt Hij niet en zijn engelen heeft hij dwaling ten laste gelegd.
19
Des te minder hen die in lemen huizen wonen, die het stof als hun fundament hebben. Zij worden nog eerder verbrijzeld dan de mot.
20
Van ’s morgens tot ’s avonds worden zij verbrijzeld. Zonder dat men er aandacht aan schenkt, vergaan zij voor altijd.
21
Zal hun tentkoord van hun aardse tent niet worden losgerukt? Zij sterven, maar zonder in wijsheid.
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 5 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42