bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Job 27
Job 27
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 28 →
1
Job ging verder met het aanheffen van zijn spreuk en zei:
2
Zo waar God leeft die mij mijn recht onthouden heeft, de Almachtige die mijn ziel verbitterd heeft,
3
zo lang mijn adem nog in mij is, en de geest van God in mijn neus,
4
zullen mijn lippen geen onrecht spreken, en zal mijn tong geen bedrog uiten!
5
Het is uitgesloten dat ik jullie in het gelijk zou stellen. Totdat ik de geest geef, zal ik mij mijn oprechtheid niet laten ontnemen.
6
Aan mijn gerechtigheid houd ik vast, ik geef haar niet prijs. Mijn hart zal die mijn leven lang niet opgeven.
7
Laat mijn vijand een boosdoener blijken te zijn, wie zich tegen mij verzet, een misdadiger.
8
Want wat is de hoop van de huichelaar, wanneer zijn leven afgesneden wordt, wanneer God zijn ziel wegrukt?
9
Zal God zijn hulp geroep horen, wanneer benauwdheid hem overvalt?
10
Zal hij zich verheugen in de Almachtige? Zal hij God te allen tijde aanroepen?
11
Ik zal jullie onderwijzen over de hand van God, wat de Almachtige van plan is, zal ik niet verbergen.
12
Zie, jullie allen hebben het zelf gezien. Waarom blijven jullie dan die onzin uitkramen en zeggen jullie:
13
“Dit is het deel van een slecht mens bij God, het erfdeel van de geweldenaars dat zij van de Almachtige ontvangen:
14
Als zijn kinderen talrijk worden, wacht hun het zwaard. Zijn jonge spruiten zullen niet genoeg brood hebben,
15
wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dodelijke pest begraven worden, en zijn weduwen zullen niet huilen.
16
Al hoopt hij zilver op als stof, al legt hij kleding klaar als hopen leem,
17
ja, al legt hij die klaar, de rechtvaardige zal die aantrekken, en wie onberispelijk is, zal het zilver verdelen.
18
Als een mot bouwt hij zijn huis, als een hutje dat een bewaker voor zichzelf maakt.
19
Rijk gaat hij erin liggen slapen, maar rijker worden zal hij niet. Als hij zijn ogen opendoet, is er niets meer.
20
Verschrikkingen zullen hem als waterstromen overweldigen, ’s nachts zal een wervelwind hem wegrukken.
21
De oostenwind zal hem wegnemen, daar gaat hij, wegslingeren zal die hem ver van zijn plaats.
22
God zal dit alles over hem brengen en hem niet sparen. Voor zijn hand zal hij haastig wegvluchten.
23
Men zal om hem spottend in de handen klappen en hem uit zijn plaats wegfluiten.”
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 28 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42