bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Jeremiah 15
Jeremiah 15
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 14
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 16 →
1
Maar de Heer*** antwoordde mij: "Al stonden Mozes en Samuel hier vóór Mij, dan nog zou mijn hart niet naar dit volk uitgaan. Stuur het weg! Uit mijn ogen ermee!
2
En als ze je vragen: 'Waar moeten we dan heen?' antwoord hen dan: 'Dit zegt de Heer***: Wie bestemd is voor de pest, naar de pest. Wie bestemd is voor het zwaard, naar het zwaard. Wie bestemd is voor de honger, naar de honger. Wie bestemd is voor ballingschap, naar ballingschap.
3
Want Ik zal hen vonnissen met vier soorten straffen, zegt de Heer***: met het zwaard om te doden, de honden om weg te slepen, de vogels en de wilde dieren om te verslinden en te vernietigen.
4
Ik zal hen maken tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, vanwege alles wat koning Manasse van Juda, de zoon van Jehizkia, heeft gedaan in Jeruzalem.
5
Wie zal je nog ontzien, Jeruzalem, wie zal nog medelijden met je hebben, wie komt je nog vragen hoe het met je gaat?
6
Je hebt Mij verlaten, zegt de Heer***, je bent bij Mij weggelopen. Daarom zal Ik mijn hand tegen je opheffen en je vernietigen. Ik heb er genoeg van je telkens te ontzien.
7
Ik verdrijf jullie uit jullie woonplaatsen als kaf in de wind. Ik zal mijn volk van kinderen beroven en doden, omdat ze zich niet van hun wegen afkeren.
8
Ik maak hun weduwen talrijker dan het zand langs de zee. Ik laat de moeder overvallen door een jonge man, een verwoester, midden op de dag. Plotseling zal de stad overvallen worden door verschrikkingen.
9
Zij die zeven zonen kreeg, is uitgeput en blaast haar laatste adem uit. Midden op de dag is haar zon ondergegaan, ze staat beschaamd, met het schaamrood op de kaken. Wie er van hen overblijven zal Ik uitleveren aan het zwaard, voor de ogen van hun vijanden, zegt de Heer***."
10
"Wee mij! Ach moeder, dat u mij ter wereld hebt gebracht! Mij, een man die onenigheid en twist veroorzaakt in het hele land! Ik ben niemands schuldeiser, en zelf heb ik bij niemand schulden gemaakt, maar toch word ik door iedereen vervloekt!"
11
De Heer*** zei: "Ik zweer dat het uiteindelijk ten goede zal zijn, Ik zweer dat, in tijd van ellende en nood, Ik voor jou bij de vijand tussenbeide zal komen.
12
Zou ijzer het ijzer of koper kunnen breken dat uit het noorden komt?
13
Ik zal al jullie rijkdommen en al jullie bezit meegeven als buit, zonder betaling, vanwege al jullie zonden in jullie hele gebied.
14
En Ik zal jullie meegeven aan jullie vijanden, naar een land dat jullie niet kennen, want mijn toorn heeft een vuur ontstoken en het zal jullie verbranden."
15
" Heer***, U weet alles. Denk aan mij, zie naar mij om, wreek mij op mijn belagers. Heb niet zo lang geduld met hen, dat ze mij kunnen doden. Vergeet niet dat ik omwille van U zo vernederd word.
16
Telkens als uw woorden tot mij kwamen, at ik ze op. Uw woord was de vreugde en blijdschap van mijn hart, want U behoor ik toe, Heer***, God van de hemellegers.
17
Ik ben niet in de kring van spotters gaan zitten, ik heb geen plezier gemaakt. Doordat uw hand op mij is, ben ik eenzaam geweest, want U hebt mij met verontwaardiging vervuld.
18
Waarom blijft mijn pijn voortduren? Waarom is mijn wond ongeneeslijk en wil hij maar niet herstellen? Bent U voor mij dan als een onbetrouwbare beek, waar men niet altijd water vindt?"
19
"Dit zegt de Heer***: Als je dit terugneemt, zal Ik je herstellen en zul je weer in mijn dienst staan. Als je waardevolle woorden weet te onderscheiden van waardeloze, zul je mijn mond zijn. Zij moeten zich richten naar jou, maar jij mag je niet richten naar hen.
20
Ik heb jou bij dit volk gemaakt tot een koperen vestingmuur. Ze zullen wel tegen je strijden, maar je niet overwinnen, want Ik ben met je. Ik zal je helpen en redden, zegt de Heer***,
21
Ja, Ik zal je redden uit de macht van slechte mensen, Ik zal je bevrijden uit de greep van hen die meedogenloos zijn."
← Chapter 14
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 16 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52