bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Isaiah 9
Isaiah 9
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 10 →
1
“Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Over hen die wonen in het land van de schaduw van de dood zal het licht schijnen.
2
U zult het volk talrijk maken, U zult de blijdschap grootmaken. Zij zullen zich verblijden voor uw aangezicht, zoals men zich verblijdt bij de oogst, zoals men zich verheugt bij het verdelen van de buit …
3
want het juk van zijn last en de stok op zijn schouder en de staf die hem aandreef, hebt U verbroken net als op Midiansdag,
4
want elke schoen die door het strijdgewoel besmeurd werd en elke mantel die in bloed gewenteld werd, zal verbrand worden, een prooi van het vuur,
5
want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt Hem bij zijn Naam: Wonderbaar, Raadsman, machtige God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
6
Aan de grootheid van zijn heerschappij en aan zijn vrede zal geen einde komen op de troon van David en over zijn koninkrijk om dat te bevestigen en dat te sterken met recht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.”
7
“Mijn Heer heeft een woord uitgezonden tegen Jakob en het is gevallen in Israël.
8
Heel het volk zal het weten, Efraïm en de inwoner s van Samaria die in hoogmoed en met een hart vol groot spraak zeggen:
9
‘Bakstenen muren zijn gevallen, maar met gehouwen stenen zullen wij her bouwen. Wilde vijgenbomen zijn omgehakt, maar wij zullen er ceders voor in de plaats zetten!’
10
De HEERE zal de tegenstanders van Rezin tegen hem opzetten en Hij zal zijn vijanden ophitsen.
11
Aram vanuit het oosten en de Filistijnen van achteren, zodat zij Israël helemaal zullen opslokken. Bij dit alles keert zijn toorn zich niet af, maar zijn hand blijft uitgestrekt,
12
want het volk bekeert zich niet tot Hem die het slaat, en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet.”
13
“ Daarom zal de HEERE kop en staart, palmtak en riet van Israël afsnijden, en dat op één dag.
14
De oudste en aanzienlijke, die zijn de kop, en de profeet die leugen onderwijst, die is de staart.
15
Want de leiders van dit volk zijn verleiders en wie door hen geleid worden, worden opgeslokt.
16
Daarom zal mijn Heer zich niet verblijden over hun jongemannen en over hun wezen en hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij allen zijn huichelaars en boosdoeners, en iedere mond spreekt dwaasheid. Bij dit alles keert zijn toorn zich niet af, maar zijn hand blijft uitgestrekt.”
17
“Want de misdaad brandt als een vuur dat de dorens en distels verteert en dat de struiken van het woud aansteekt, zodat ze in rook opgaan.
18
Door de woede uitbarsting van de HEERE van de legermachten zal het land verschroeid worden en het volk zal tot voedsel worden voor het vuur. De een zal de ander niet sparen.
19
Al hapt men naar rechts, toch blijft men honger lijden, al eet men naar links, toch worden zij niet verzadigd. Ieder zal het vlees van zijn eigen arm eten.
20
Manasse zal Efraïm verslinden en Efraïm Manasse en samen zullen zij tegen Juda zijn. Bij dit alles keert zijn toorn zich niet af, maar zijn hand blijft uitgestrekt.”
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 10 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66